Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15206 - Rechtbank Rotterdam - 27 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15206•27 november 2025
Uitspraak inhoud
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 27 november 2025
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 22 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 17 november 2025 is verschenen en gehoord: - verzoeker.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De feiten
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij op dit moment weer aan het werk is als zelfstandig ondernemer. Hij kan pas in januari 2026 in loondienst treden bij het bedrijf waar hij nu voor werkt. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 23.788,06.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schuld aan het CJIB
Verzoeker heeft onder meer schulden bij het CJIB van in totaal circa € 2.000,00 waarvan
€ 808,00 aan verkeersboetes die allemaal zijn ontstaan in 2025. De boetes bestaan voornamelijk uit te hard rijden. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij de auto van zijn broer op zijn naam heeft staan en dat de boetes door zijn broer zijn gereden. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Schuld aan de Belastingdienst
Ook heeft verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van in totaal € 3.272,00. Volgens verzoeker heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen huur - en zorgtoeslag in de periode 2023 en 2024. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het niet verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Geen wending ten goede
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Zo heeft verzoeker de auto nog steeds op zijn naam staan.
Nakoming verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De verplichtingen waaraan verzoeker tijdens de schuldsaneringsregeling moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. De rechtbank oordeelt dat in het voorliggende geval niet aannemelijk is dat verzoeker aan deze verplichtingen zal voldoen. Uit het dossier volgt immers dat het minnelijk traject niet is geslaagd omdat er (onder andere) nieuwe schulden zijn ontstaan. Ook heeft verzoeker schuldhulpverlening onvoldoende geïnformeerd. Daarnaast heeft verzoeker ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek niet de opgevraagde stukken, zoals sollicitaties, uittreksel BRP, opgave Belastingdienst, uittreksel KvK en de drie laatst opgemaakte jaarstukken van de onderneming voorafgaand aan de zitting dan wel ter zitting overgelegd. Door het ontbreken van deze informatie kan de rechtbank geen volledig en zorgvuldig oordeel vormen over de vraag of sprake is van een saneringsgezinde houding en een stabiele situatie bij verzoeker, waarbij de inkomsten en uitgaven in balans zijn.
Daar komt bij dat ter zitting niet voldoende is gebleken dat verzoeker de Nederlandse taal voldoende beheerst om de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te kunnen naleven, terwijl hij zich niet heeft voorzien van hulp bij vertaling van correspondentie. Op grond van het bepaalde in de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsanering dient ook deze omstandigheid bij de beoordeling van het verzoek te worden betrokken.
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal dan ook worden afgewezen.
4 De beslissing
De rechtbank: - wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.[1]
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. - - - ## Voetnoten