Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15153 - Rechtbank Rotterdam - 15 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15153•15 oktober 2025
Uitspraak inhoud
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 15 oktober 2025
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 15 september 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter terechtzitting van 7 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
Ter zitting zijn door de advocaat van verzoeker aanvullende stukken overgelegd.
Verzoeker heeft de rechtbank op 8 oktober 2025 aanvullende stukken toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De feiten
Verzoeker werkt sinds juni 2025 en ontvangt inkomen uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de crediteurenlijst € 26.904,75, waarbij de huurschuld de grootste schuld is. De verhuurder heeft herhaaldelijk de ontruiming van de woning aangezegd. Verzoeker is daarom door zijn advocaat direct doorgeleid naar de wettelijke schuldsaneringsregeling en er is gelijktijdig een verzoek ex artikel 287, vierde lid Fw, ingediend. Op laatstgenoemd verzoek wordt afzonderlijk beslist.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft een schuld aan Aegon Levensverzekering N.V. – de verhuurder van zijn woning – ter hoogte van totaal, inclusief kosten, € 30.312,50. Bij vonnis van 10 februari 2025 en 24 juli 2025 is een voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw toegewezen voor de duur van zes maanden. Verzoeker is hierbij tweemaal de gelegenheid geboden om een regeling te treffen voor zijn schulden, onder de voorwaarde dat hij de lopende huurtermijnen tijdig betaalt. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt en verzoeker heeft ook de huur gedurende deze periode onbetaald gelaten. Reden hiervoor volgens verzoeker waren diverse ziekenhuisopnames en het feit dat zijn vader die de huurbetalingen voor hem zou regelen, dit heeft verzuimd. Volgens de advocaat van verzoeker heeft hij geen contact kunnen krijgen met verzoeker en is om die reden geen regeling voor de schulden opgestart kunnen worden.
Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker bankafschriften van de privérekening van verzoeker overgelegd over de periode 19 mei 2025 tot en met 25 mei 2025. Uit deze bankafschriften blijken meerdere aanzienlijke betalingen voor onder andere luxe artikelen en goksites. Zo heeft verzoeker in de periode van 19 mei 2025 tot en met 25 mei 2025 voor een totaalbedrag van € 17.238,04 uitgegeven aan:
Daarnaast blijkt dat verzoeker op 25 mei 2025 een bedrag van € 1.471,38 en op 20 mei 2025 € 950,00 heeft ontvangen van Betcity. Deze bij - en afschrijvingen hebben plaatsgevonden tijdens de periode van de eerste verleende voorlopige voorziening. Daarnaar gevraagd heeft verzoeker verklaard dat hij deze uitgaven zelf heeft gedaan, waarbij de betalingen aan Betcity door hem zijn gedaan voor een jongere neef. Verzoeker heeft geen verklaring gegeven waarom hij ervoor heeft gekozen om deze grote uitgaven aan luxe artikelen te doen in plaats van zijn huur te betalen, anders dan dat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt. Verzoeker heeft er dan ook bewust voor gekozen om zijn huur en overige schulden onbetaald te laten en zijn geld aan andere zaken uit te geven. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker zijn schuld aan de verhuurder niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker zich per 15 augustus 2025 onder beschermingsbewind heeft laten stellen. Daarnaast is hij naar zijn zeggen fulltime aan het werk bij [naam bedrijf] en heeft zijn werkgever onlangs zijn contract voor anderhalf jaar verlengd. Verzoeker is aldus op de goede weg. Deze ontwikkelingen hebben zich echter pas recent voorgedaan en zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bestendig van aard om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal reeds op deze grond worden afgewezen. Aan een beoordeling van de overige toelatingsgronden komt de rechtbank niet meer toe.
4 De beslissing
De rechtbank: - wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025. [1]
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. - - - ## Voetnoten