Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15139 - Rechtbank Rotterdam - 2 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:151392 oktober 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/701784 / JE RK 25-1274 en C/10/706582 / JE RK 25-1887
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling en verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende in de [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam opa] ,
hierna te noemen: de opa moederzijde (mz), wonende in [woonplaats 3] .
In de zaak met zaaknummer C/10/701784 is in zijn adviserende en/of toetsende taak gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/701784:
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/706582: - de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2. Op 2 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - een medewerker van de Raad, [naam 3] .
1.3. Door de kinderrechter is bijzondere toegang verleend aan de pleegzorgmedewerker van Enver, [naam 4] .
1.4. De moeder en de opa mz. zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2025 vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende een aanmelding van [minderjarige] voor een persoonlijkheidsonderzoek en de behandeling door een kinderpsycholoog door Mentaal Beter of Yulius, zo lang en zo vaak als dat nodig is.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 15 januari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 september 2025 de vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende behandeling en begeleiding door een psychiater, verleend tot 3 oktober 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3 De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/701784
3.1. De GI heeft bij verzoekschriften van 15 april en 3 juli 2025 verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, respectievelijk voor een jaar. Over de periode tot 15 januari 2026 is al beslist. Er resteert een beslissing over de periode tot 15 juli 2026.
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/706582
3.2. De GI verzoekt om vervangende toestemming te verlenen voor behandeling van [minderjarige] door een psychiater zo lang en zo vaak als dat nodig is. Over de periode tot 3 oktober 2025 is al beslist. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

4 De standpunten

4.1. De GI handhaaft de verzoeken en licht deze ter zitting als volgt toe. De jeugdbeschermer [naam 1] was vanaf mei tot september 2025 bij [minderjarige] betrokken. In die periode heeft zij de moeder nooit kunnen ontmoeten. De moeder verzet zich tegen de begeleide omgang met [minderjarige] door Enver op het kantoor van de GI. De jeugdbeschermer heeft daarom vaker contact met de moeder gezocht om alternatieve mogelijkheden voor de omgang te bespreken, maar zonder succes. Ook is er een overleg met de moeder, haar advocaat en Enver ingepland nadat de moeder een klacht had ingediend, maar hier is de moeder vervolgens niet verschenen. Ook haar advocaat heeft vervolgens niet de concrete wensen van de moeder over de omgang doorgegeven. Het is daarom niet tot een inhoudelijke bespreking gekomen. De jeugdbeschermer heeft zelf meerdere voorstellen gedaan maar de moeder gaat nergens mee akkoord en komt zelf niet met een alternatief idee. Verder staat [minderjarige] nu onder behandeling van de psychiater en hij krijgt medicatie die aanslaat. Belangrijk is daarom dat deze behandeling wordt voortgezet.
4.2. De pleegouders zijn het eens met de verzoeken van de GI. Het pleeggezin heeft een moeilijke zomer achter de rug. Het gedrag van [minderjarige] escaleerde. De thuissituatie was niet meer onder controle en [minderjarige] kreeg niet de hulpverlening die hij nodig had. Dit was heel moeilijk. Ook is de hond onlangs overleden en hier heeft [minderjarige] veel verdriet van. De pleegouders hebben inmiddels een nieuwe puppy en [minderjarige] is daar erg blij mee. Belangrijk is dat de psychiater aan de slag gaat met de emoties van [minderjarige] . De behandeling is vorige week gestart en hij krijgt nu medicatie. Dit slaat goed aan. Daarnaast hebben de pleegouders een cursus Traumasensitief opvoeden gevolgd en dit werpt zijn vruchten af. De pleegouders zijn blij dat zij nu ondersteuning hebben, maar het is erg intensief. Verder is het belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over zijn perspectief, nu hij hier druk mee in zijn hoofd is. [minderjarige] is namelijk bang dat dat hij uit het pleeggezin weg moet. Verder is het van belang dat [minderjarige] omgang heeft met de moeder, maar hierover moeten heldere afspraken zijn zodat de moeder niet over zijn grenzen gaat. Ook vindt [minderjarige] de omgang met opa en oma moederzijde erg fijn.

5 Het advies van de Raad

De Raad stemt in met de verzoeken van de GI. De Raad heeft op verzoek van de kinderrechter een perspectiefonderzoek gedaan. Het is de Raad helaas onvoldoende gelukt om met de moeder in gesprek te komen en gebleken is dat zij het moeilijk vindt om tot samenwerking te komen. Daarnaast wil de moeder niet meewerken met de begeleide omgang met Enver op het kantoor van de GI. Dat is verdrietig, te meer nu de Raad graag hulpverlening had willen laten inzetten. Nu [minderjarige] graag contact met de moeder wil en hij aangeeft haar te missen, is het belangrijk dat de nieuwe jeugdbeschermer nogmaals onderzoekt of zij een andere vorm van contact kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld omgang in een speeltuin. De Raad wil niet kritisch zijn richting de GI, maar voorkomen moet worden dat er te veel van de moeder wordt verwacht doordat zij zelf met alternatieven voor de omgang moet komen. Verder is het belangrijk dat [minderjarige] binnenkort duidelijkheid krijgt over zijn perspectief en het perspectiefonderzoek is hiertoe een stap in deze richting. Verder heeft de Raad van de pleegouders begrepen dat de medicatie helpt en de behandeling door de psychiater noodzakelijk is.

6 De beoordeling

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
6.1. Op de zitting van 9 juli 2025 was de moeder verhinderd aanwezig te zijn en wenste zij door een advocaat bijgestaan te worden. Om de moeder de mogelijkheid te bieden zich ter zitting - bijgestaan door een advocaat - uit te laten over het verzoek, heeft de kinderrechter een deel van het verzoek aangehouden tot de zitting van vandaag. De moeder is opnieuw niet verschenen en er heeft zich voor haar geen advocaat gesteld.
6.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .[2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.3. Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een jongen van zeven jaar die in zijn leven veel onduidelijkheid, onveiligheid en wisselingen heeft meegemaakt. Zo heeft hij al op verschillende plekken gewoond, in verschillende opvoedomgevingen verbleven en is hij meermaals van school gewisseld. Dit heeft veel impact op [minderjarige] (gehad) en er zijn signalen van trauma. Dit uit zich onder meer in gevoelens van machteloosheid en fysieke en verbale agressie richting zijn omgeving. [minderjarige] heeft een vol hoofd en hij maakt zich veel zorgen, onder andere over zijn plek in het pleeggezin en of hij daar kan blijven.
6.4. Gezien de ingrijpende problematiek en de behoefte van [minderjarige] aan duidelijkheid en voorspelbaarheid over zijn perspectief, heeft de kinderrechter begin juli 2025 de Raad verzocht een perspectiefonderzoek te verrichten. Het onderzoek is afgerond en de Raad is van oordeel dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . [minderjarige] is sinds 2022 uit huis geplaatst en het is sindsdien niet gelukt om hulpverlening in te zetten in de opvoedsituatie van de moeder of om zicht te krijgen op haar opvoedvaardigheden. Daardoor is het niet gelukt om een terugplaatsing te onderzoeken. Daarnaast is de moeder al lange tijd uit contact met de hulpverlening en lukt het haar niet om voorspelbaar te zijn en om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft de moeder sinds januari 2025 niet meer gezien nu zij geen begeleide omgang op het kantoor van de GI wenst. Voor [minderjarige] is dit erg verdrietig, omdat hij zijn moeder mist.
6.5. Het perspectief van [minderjarige] ligt volgens de Raad niet meer bij de moeder, maar bij de pleegouders. De Raad is van mening dat de aanvaardbare termijn, de periode dat een kind onzekerheid kan verdragen over zijn opgroeiperspectief, voor [minderjarige] al lange tijd is verstreken. Belangrijk is dat het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders wordt voortgezet. De Raad gunt het [minderjarige] dat hij zekerheid krijgt over de plek waar hij mag opgroeien. Verhuizing naar een nieuwe opvoedomgeving zou voor [minderjarige] zeer schadelijk zijn. Gebleken is echter dat de plaatsing bij de pleegouders onder druk staat nu de draagkracht van de pleegouders op de proef wordt gesteld door de toenemende problematiek van [minderjarige] . Van groot belang is dat er snel aanvullende hulpverlening wordt ingezet zodat de plaatsing op de lange termijn haalbaar blijft.
6.6. Daarnaast is het de komende periode belangrijk dat de GI blijft proberen om in contact te komen met de moeder om de verschillende mogelijkheden rondom de omgang met [minderjarige] te onderzoeken, nu [minderjarige] aangeeft behoefte aan contact met de moeder te hebben. Dit moet wel onder veilige en voorspelbare omstandigheden gebeuren, waarbij [minderjarige] niet belast wordt met volwassen zaken. De betrokkenheid van de GI blijft ook daarom noodzakelijk, aangezien het erg moeilijk blijkt om de omgang tussen [minderjarige] en de moeder te organiseren op een wijze die voldoende aansluit bij de behoeften van [minderjarige] .
6.7. De kinderrechter zal op grond van vorenstaande de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur van zes maanden, te weten tot 15 juli 2026. Ook zal de kinderrechter het overige deel van het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengen, ook tot 15 juli 2026.
Vervangende toestemming
6.8. De kinderrechter kan vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert (artikel 1:265h van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is van oordeel dat deze situatie zich nog steeds voordoet.
6.9. Zoals eerder overwogen in de beschikkingen van 11 en 18 september 2025, kampt [minderjarige] al geruime tijd met psychische problemen en de behandeling van [minderjarige] door een psychiater is daarom in zijn belang noodzakelijk. Ondanks inspanningen is het de GI niet gelukt de daarvoor noodzakelijke toestemming van de moeder te krijgen. Hierdoor is de hulpverlening fors vertraagd en kon de behandeling niet starten waardoor de thuissituatie van [minderjarige] bij de pleegouders bijna onhoudbaar werd. De kinderrechter heeft daarom bij beschikking van 11 september 2025 voor een beperkte periode vervangende toestemming verleend. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nu medicatie krijgt en dat het beter met hem gaat. Belangrijk is daarom dat de behandeling voortgezet wordt.
6.10. De kinderrechter heeft op 18 september 2025 de vervangende toestemming wederom slechts verleend tot 3 oktober 2025, om de moeder opnieuw de gelegenheid te bieden haar mening over het verzoek ter zitting naar voren te brengen. Echter, de moeder is opnieuw niet ter zitting verschenen en het lukt de GI nog steeds niet om met haar in contact te komen. Het is noodzakelijk in het belang van [minderjarige] dat hij onder behandeling van de psychiater blijft. Om die reden zal de kinderrechter opnieuw vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige] door de psychiater verlenen.
6.11. De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissingen

De kinderrechter:
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/701784
7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 juli 2026;
7.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 juli 2026;
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/706582
7.3. verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende behandeling van [minderjarige] door een psychiater, voor zo vaak als nodig is en voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 15 juli 2026;
7.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.