Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15135 - Rechtbank Rotterdam - 11 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1513511 december 2025

Uitspraak inhoud

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11732998 CV EXPL 25-2336
datum uitspraak: 11 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Castart B.V.,
vestigingsplaats: Deventer, kantoorhoudende: Sliedrecht,
in de hoofdzaak: eiseres, verweerster in reconventie,
in het inzagerechtincident: eiseres,
in het onbevoegdheidsincident: verweerster,
gemachtigde: mr. H.P.D den Teuling,
procesgemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen
de vennootschappen naar Marokkaans recht
  1. Mafoder Fonderie,
  1. Mafoder Group,
vestigingsplaats: Casablanca (Marokko),
in de hoofdzaak: gedaagden, eisers in reconventie,
in het inzagerechtincident: verweerders,
in het onbevoegdheidsincident: eisers,
gemachtigde: mr. L.L. Bakker en mr. V.A. Zandvliet (voorheen: mr. S.I. van Gelder).
De partijen worden hierna respectievelijk 'Castart', 'Mafoder Fonderie' en 'Mafoder Group' genoemd. Mafoder Fonderie en Mafoder Group worden gezamenlijk aangeduid als Mafoder c.s.

1 De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

2 De beoordeling van het bevoegdheidsincident

2.1. In de hoofdzaak stelt Castart zich op het standpunt dat zij op 5 maart 2018 een agentuurovereenkomst heeft gesloten met Mafoder Fonderie en dat op deze overeenkomst Frans recht van toepassing is. Deze overeenkomst, waarvan door Mafoder c.s. in de hoofdzaak wordt betwist dat sprake is van een agentuurovereenkomst, is door Mafoder Fonderie opgezegd tegen 5 maart 2024. Castart heeft in de hoofdzaak meerdere vorderingen ingesteld tegen Mafoder Fonderie, waaronder een schadevergoeding van € 300.000, - op grond van onrechtmatige handelen van Mafoder Fonderie (naar Frans recht).
2.2. Mafoder c.s. stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad kennis te nemen, omdat het schadebrengende feit zich niet in Nederland heeft voorgedaan of zal voordoen. Zij vordert daarom bij incident dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vordering van Castart uit hoofde van onrechtmatige daad.
2.3. Castart voert hiertegen verweer en stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is.
De bevoegdheidsregels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn van toepassing
2.4. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat Mafoder c.s. is gevestigd in Marokko. De Brussel I-bis verordening[1] is niet van toepassing, omdat Mafoder c.s. niet is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Dit betekent dat op grond van de bevoegdheidsregels in de artikelen 1 tot en met 12 Rv beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is. Omdat de regels uit deze artikelen zijn gebaseerd op Brussel I-Bis verordening en haar voorlopers, is de rechtspraak van de Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) ook van belang bij de uitleg van deze artikelen.
De Nederlandse rechter is bevoegd
2.5. De hoofdregel van artikel 2 Rv is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de gedaagde partij in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv heeft de Nederlandse rechtsmacht eveneens rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voortgedaan of zich kan voordoen. Dit artikel is ontleend aan artikel 7 lid 2 van de Brussel I-bis verordening. Uit vaste rechtspraak volgt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen normaliter het best in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker.[2] Volgens vaste rechtspraak duidt de term 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen' zowel op de plaats
waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (Handlungsort).
2.6. Castart stelt reputatieschade te hebben geleden doordat Mafoder Fonderie na de opzegging van de agentuurovereenkomst de door Castart aangebrachte klanten op onrechtmatige wijze van het einde van de samenwerking tussen partijen op de hoogte heeft gebracht. Castart verwijt Mafoder Fonderie in het bijzonder dat zij de door haar bij Mafoder Fonderie aangebrachte klanten afschrift heeft toegestuurd van op 15 juni 2023 door partijen gevoerde correspondentie over de voorwaarden van de samenwerking tussen hen. Deze openbaarmaking vormt een ernstige schending van de bedrijfsgeheimen van Castart en heeft de goede naam van Castart bij klanten, met name in de baggerindustrie, geschaad, aldus Castart. Volgens Castart heeft als gevolg van het onrechtmatige handelen een belangrijke relatie van Castart, de Portugese gieterij CMW, eind 2023 eveneens besloten om de agentuurrelatie van Castart te beëindigen. Omdat CMW ook haar klanten heeft geïnformeerd over de beëindiging van de agentuurrelatie, is volgens Castart haar reputatie in de markt nog verder aangetast geraakt.
2.7. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan niet op de Handlungsort worden gebaseerd. Uit de toelichting van Castart volgt namelijk dat de plaats van de gebeurtenis die met de schade in oorzakelijk verband staat Marokko is, omdat Mafoder Fonderie daar is gevestigd en niet gesteld is dat zij vanuit een andere plaats het afschrift heeft verzonden.
2.8. Vervolgens moet beoordeeld worden of de Nederlandse rechter bevoegd is als wordt aangesloten bij de Erfolgsort. Bij een schending van persoonlijkheidsrechten via het internet geldt dat de gevolgen van een dergelijke publicatie het best kunnen worden beoordeeld door het gerecht van de plaats waar het beweerdelijke slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft. De plaats waar een persoon het centrum van zijn belangen heeft is meestal zijn gewone verblijfplaats. In het geval van een rechtspersoon is het centrum van de belangen de plaats waar de rechtspersoon het merendeel van zijn activiteiten verricht; dat is niet noodzakelijkerwijs de plaats van zijn statutaire zetel.[3] De kantonrechter is van oordeel dat voor onderhavige zaak bij deze rechtspraak kan worden aangesloten. Aangezien Castart in Nederland is gevestigd en er geen aanwijzingen zijn dat zij daar niet het centrum van haar belangen heeft, is de kantonrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Hierbij weegt ook mee dat het voor Mafoder Fonderie te voorzien was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden opgeroepen in verband met deze schade, omdat Castart in Nederland is gevestigd.
2.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Nederlandse rechter in het onderhavige geschil bevoegdheid toekomt op grond van de bevoegdheidsregel vanartikel 6 aanhef en onder e Rv. Het incident van Mafoder c.s. wordt daarom afgewezen.
Mafoder c.s. moet de proceskosten betalen
2.10. Mafoder c.s. moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Castart op € 339, - (één punt met een waarde van € 339, - per punt) en € 135, - aan nakosten. Dit is in totaal € 474,-.
Het vervolg in de hoofdzaak
2.11. De kantonrechter wil de zaak met de partijen bespreken op een zitting.
De partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen. Castart mag daarnaast uiterlijk tien dagen voor de zitting een conclusie van antwoord in reconventie indienen.
2.12. Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
in het onbevoegdheidsincident
3.1. wijst de vordering af;
3.2. veroordeelt Mafoder c.s. in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 474, - ;
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de partijen uiterlijk op donderdag 8 januari 2026om 10.00 uurhun verhinderdagen moeten opgeven voor de maanden februari tot en met juli 2026;
3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
31688
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
HvJ EU 21-12-2021, ECLI:EU:C:2021:1036, r.o. 26.
HvJEU 25 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:685 en HvJEU 17 oktober 2017, ECLI:NL:C:2017:766. - - - ## Voetnoten
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
HvJ EU 21-12-2021, ECLI:EU:C:2021:1036, r.o. 26.
HvJEU 25 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:685 en HvJEU 17 oktober 2017, ECLI:NL:C:2017:766.