Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15128 - Rechtbank Rotterdam - 24 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15128•24 oktober 2025
Uitspraak inhoud
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11756330 CV EXPL 25-13996
datum uitspraak: 24 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres], die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: Rotterdam,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. P.A. Visser,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: Heijen, gemeente Gennep,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. H.J. Rosens.
De partijen worden hierna '[eiseres]' en '[gedaagde]' genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2 De eis in de hoofdzaak
2.1. [eiseres] eist in de hoofdzaak betaling van € 31.300, - met rente en proceskosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd.
2.1.1. [eiseres] heeft op 24 mei 2023 een auto van [gedaagde] gekocht. Na enige tijd bleek dat de auto diverse gebreken vertoonde. [eiseres] meent dat sprake is van non-conformiteit van de auto en dus van wanprestatie van [gedaagde]. [eiseres] heeft daarom de koopovereenkomst ontbonden en vraagt nu om terugbetaling van de koopsom met bijkomende kosten.
3 De eis en het verweer in het incident
3.1. [gedaagde] eist dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen en de zaak verwijst naar de sector civiel van de rechtbank Limburg. Daarvoor heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van een consumentenkoopovereenkomst.
3.2. [eiseres] is het niet eens met de eis in het incident en voert aan dat de overeenkomst wel degelijk moet worden aangemerkt als consumentenkoopovereenkomst.
3.3. De kantonrechter wijst de eis van [gedaagde] in het incident toe. De kantonrechter is – zowel absoluut als relatief – niet bevoegd om deze zaak te behandelen en daarover te beslissen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4 De beoordeling
4.1. Voor de vraag of de kantonrechter absoluut en relatief bevoegd is om de zaak te behandelen en daarover te beslissen, is van belang of [eiseres] de overeenkomst heeft gesloten als consument. Dit is een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (artikel 7:5 lid 1 sub a BW).
4.2. Volgens [eiseres] is de auto bestemd voor privégebruik en handelde zij daarom als consument. In de aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter daarvoor echter onvoldoende aanknopingspunten. Vast staat dat [eiseres] voor de financiering van de auto een zakelijk leasecontract heeft gesloten. Dat zij deze keuze uitsluitend om fiscale redenen heeft gemaakt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Verder geldt dat zowel de orderbevestiging als de facturen van [gedaagde] op naam van de eenmanszaak van [eiseres] staan. [eiseres] heeft ook steeds met [gedaagde] gecommuniceerd met een zakelijk e-mailadres ([email protected]). [eiseres] heeft verder niet uitgelegd hoe het in deze omstandigheden voor [gedaagde] duidelijk moest zijn dat de auto enkel bestemd was voor privégebruik en zij daarom als consument handelde.
4.3. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter voorlopig tot het oordeel dat niet vast staat dat [eiseres] bij het kopen van de auto heeft gehandeld als consument. De kantonrechter is daarom niet bevoegd om deze zaak te behandelen. [eiseres] eist meer dan € 25.000, - en de zaak gaat niet over een onderwerp dat altijd door de kantonrechter moet worden behandeld (artikel 93 onder c en d Rv).
4.4. Voor de relatieve bevoegdheid geldt het volgende. Omdat niet vast staat dat sprake is van consumentenkoop, is de alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 101 Rv niet van toepassing. Op grond van artikel 99 lid 1 Rv is de rechter van de woonplaats van [gedaagde] relatief bevoegd. Dat is de rechtbank Limburg.
4.5. De kantonrechter verwijst de zaak daarom naar het team burgerlijk recht van de rechtbank Limburg (artikel 73 jo. 110 lid 2 Rv).
[eiseres] moet meer griffierecht betalen
4.6. Doordat de kantonrechter de zaak verwijst geldt een griffierecht van € 1.374,-. [eiseres] heeft al € 732, - aan griffierecht betaald. De verhoging van € 642, - moet betaald zijn binnen vier weken na de eerste roldatum bij team burgerlijk recht van de rechtbank Limburg (artikel 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken). Daarvoor verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan [eiseres].
[gedaagde] moet nu ook griffierecht betalen
4.7. Doordat de kantonrechter de zaak verwijst moet [gedaagde] griffierecht betalen van € 2.995,-. Dat bedrag moet betaald zijn binnen vier weken na de eerste roldatum bij team burgerlijk recht van de rechtbank Limburg. Daarvoor verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan [gedaagde].
Proceskosten in het incident
4.8. [eiseres] moet de kosten van het incident betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 543, - (1 punt) aan salaris voor de gemachtigde.
5 De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
5.1. verklaart zich absoluut en relatief onbevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen;
5.2. veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 543,-;
in de hoofdzaak
5.3. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Limburg, team burgerlijk recht, locatie Roermond.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
43416