Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15117 - Rechtbank Rotterdam - 28 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1511728 november 2025

Uitspraak inhoud

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/706459 / FA RK 25-6874
Beschikking van 28 november 2025 over vaststelling ouderschap
in de zaak van:
[de vrouw], hierna: vrouw,
wonende te [plaats] , [gemeente] ,
advocaat mr. M.F. Hofman te Rotterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
mr. G.E. van der Pols, advocaat te Rotterdam, hierna: de bijzondere curator.

1 De verdere procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

2 De vaststaande feiten

2.1. De vrouw is de moeder van de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2] ;
hierna ook te noemen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. De vrouw had een relatie met [de man] ; hierna ook te noemen: de man.
2.3. De man is op [overlijdensdatum] 2024 te [overlijdensplaats] overleden.

3 De beoordeling

3.1. Vaststelling ouderschap
3.1.1. De vrouw verzoekt vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige 2] .
3.1.2. Uit het verzoekschrift en het verslag van de bijzondere curator blijkt dat de vrouw en de man sinds 18 september 2016 een affectieve relatie met elkaar hadden, waaraan een einde is gekomen door het onverwachte overlijden van de man op [overlijdensdatum] 2024. Ten tijde van dat overlijden was de vrouw zwanger van de man, waarna op [geboortedatum 2] 2025 [minderjarige 2] is geboren. [minderjarige 2] is het broertje van [minderjarige 1] . De man heeft [minderjarige 1] als ongeboren vrucht erkend. Het was de bedoeling dat de man ook [minderjarige 2] als ongeboren vrucht zou erkennen, maar door het onverwachte overlijden toen de vrouw nog maar zes weken zwanger was, is die erkenning niet meer mogelijk gebleken. De vrouw heeft geen twijfel dat de man de biologische vader van [minderjarige 2] is.
3.1.3. De bijzondere curator is er eveneens van overtuigd dat de man de biologische vader van [minderjarige 2] is en ziet geen reden om dit via een DNA-onderzoek nog te laten bevestigen. De bijzondere curator adviseert daarnaast het verzoek zo spoedig mogelijk af te doen in verband met de aangifte erfbelasting.
3.1.4. Met het oog op de termijn waarbinnen de aangifte erfbelasting moet zijn gedaan en het standpunt van alle betrokkenen, heeft de rechtbank besloten een mondelinge behandeling achterwege te laten en de zaak schriftelijk af te doen.
3.1.5. Op grond van artikel 1:207 lid 1 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, onder meer op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder. De moeder moet het verzoek indienen binnen vijf jaren na de geboorte van het kind. De vrouw heeft het verzoek op 10 september 2025 ingediend, terwijl de minderjarige is geboren op [geboortedatum 2] 2025. Zij kan daarom worden ontvangen in het verzoek.
3.1.6. De rechtbank stelt voorop dat in dit soort zaken in de regel wordt gevraagd om een DNA-onderzoek als bewijs van het vaderschap. De rechtbank zal hier nu echter niet toe overgaan. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift en de onderbouwende stukken, waaronder de verklaringen van de ouders en de zus van de man, en uit het verslag van de bijzondere curator voldoende blijkt dat de man de biologische vader van [minderjarige 2] is. De rechtbank heeft geen twijfels over het ouderschap van de man en zal het verzoek tot vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige 2] dan ook toewijzen.
3.1.7. De rechtbank kan die beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de hoger beroepstermijn van drie maanden moet worden afgewacht. Dit is bepaald in de wet (artikel 1:20 lid 1 sub a in verbinding met artikel 1:20e lid 1 BW). Na het verstrijken van de genoemde termijn zal de griffie deze uitspraak sturen naar de geboortegemeente van [minderjarige 2] , te weten [geboorteplaats 2] .
3.1.8. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
3.2. Geslachtsnaam
3.2.1. De vrouw verzoekt ook de geslachtsnaam van [minderjarige 2] (die op dit moment als geslachtsnaam heeft " [geslachtsnaam 1] ") te wijzigen naar " [geslachtsnaam 2] ".
Dit is een combinatie van de achternaam van de man en van haar achternaam, en dit is ook de geslachtsnaam van hun eerdere kind [minderjarige 1] .
3.2.2. Op grond van artikel 1:5 lid 2 BW kan bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap een verklaring over de geslachtsnaam worden opgenomen in de uitspraak. Lid 9 van die bepaling houdt in dat indien een van de ouders is overleden, de andere ouder een verklaring over de naamskeuze kan afleggen. In deze procedure heeft de vrouw dus die wens geuit. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw zo dat zij verzoekt de betreffende verklaring in deze beschikking op te nemen. Gelet op de wettelijke regeling van eenheid van naam in het gezin uit artikel 1:5 lid 8 BW, is er strikt genomen geen noodzaak voor die verklaring. Na de gerechtelijke vaststelling volgt [minderjarige 2] namelijk de (al dubbele) achternaam van [minderjarige 1] , die dezelfde ouders heeft en ten aanzien van wie al een verklaring over de achternaam is afgegeven.
3.2.3. Desondanks zal de rechtbank de betreffende verklaring opnemen, zodat er geen onduidelijkheid is voor de ambtenaar van de burgerlijke stand dat de achternaam van [minderjarige 2] " [geslachtsnaam 2] " zal zijn.
3.3. Proceskosten
3.3.1. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank ten aanzien van de proceskosten dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:
4.1. stelt het ouderschap vast van:
[de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1990 te [geboorteplaats 3] en overleden op [overlijdensdatum] 2024 te [overlijdensplaats] , ten aanzien van de minderjarige:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2] ;
4.2. draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak
van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van
deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
4.3. stelt vast dat de vrouw heeft verklaard dat de minderjarige de geslachtsnaam
" [geslachtsnaam 2] " zal hebben;
4.4. verzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand deze beschikking na toezending zo spoedig mogelijk te verwerken in de betreffende registers;
4.5. beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van heden als beëindigd;
4.6. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.