Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15108 - Rechtbank Rotterdam - 27 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15108•27 oktober 2025
Uitspraak inhoud
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 27 oktober 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 5 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 oktober 2025.
Ter zitting van 20 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
De advocaat van verzoekster, mevrouw mr. M. Raaijmakers, is telefonisch gehoord, nu zij door omstandigheden niet fysiek ter zitting aanwezig kon zijn.
De heer mr. J.A. Wesdijk heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting op
16 oktober 2025 de rechtbank een specificatie van de huurachterstand toegezonden.
De advocaat van verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting op 20 oktober 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Dit vonnis is na verzet van verzoekster bekrachtigd bij vonnis van 18 juli 2025.
Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft ter zitting verklaard dat de schulden, waaronder de huurachterstand, zijn ontstaan tijdens de coronaperiode. Verzoekster heeft een jaar lang een schuldhulpverleningstraject doorlopen bij Zuidweg en Partners. Er is toen een RBZ-aanvraag ingediend. De schulden zijn toen gestabiliseerd. Vervolgens heeft verzoekster zich wederom aangemeld voor een schuldhulpverleningstraject. Dit traject is niet goed verlopen. Verzoekster heeft het traject zelf stopgezet.
Verzoekster heeft inmiddels opnieuw hulp gezocht. Zij was bereid zich onder beschermingsbewind te laten stellen. Het beschermingsbewind is op 8 augustus 2025 uitgesproken. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster wil overstappen naar een andere beschermingsbewindvoerder die cliënten aanneemt die als zelfstandig ondernemer werkzaam zijn.
Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid en een (aanvullende) WW-uitkering. Zij werkt voor 20 uur per week als grondstewardess op Schiphol. Haar inkomsten zijn circa
€ 1.452,84 per maand. Daarnaast ontvangt zij toeslagen. Het inkomen is voldoende om de lopende huur van € 657,96 te voldoen. De huur over augustus, september en oktober 2025 is, weliswaar in delen dan wel te laat, voldaan. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de financiële situatie van verzoekster op dit moment wordt gestabiliseerd. Daarnaast is verklaard dat de huur tijdig en structureel kan worden voldaan. Verzoekster is gemotiveerd om aan haar schuldenproblematiek te werken en zal worden aangemeld voor een schuldhulpverleningstraject.
Verzoekster heeft verklaard dat zij een groot belang heeft bij het verbieden van de ontruiming. Zij woont samen met haar minderjarige zoon in de woning. De vader van haar zoon is recent overleden. Haar zoon maakt daardoor een moeilijke tijd door. Bovendien heeft verzoekster verklaard dat zij geen vrienden of familie heeft waar zij en haar zoon kunnen verblijven in het geval van ontruiming van de huurwoning.
3 Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurachterstand is sinds het vonnis uit 2018 alleen maar toegenomen en bedraagt thans circa € 6.300,00. Verweerster heeft verklaard dat zij meerdere keren een betalingsregeling met verzoekster heeft getroffen om de achterstand in te lopen. Verzoekster is deze betalingsregelingen niet nagekomen. Voorts heeft zij verzoekster tot drie keer toe uitgenodigd voor een laatste kans gesprek waar verzoekster zonder tegenbericht niet is verschenen. Daarnaast is het niet de eerste keer dat er schuldhulpverlening betrokken is. Verweerster ervaart al meer dan zeven jaar problemen met verzoekster. In 2020 en in 2024 heeft zij de ontruiming al eens eerder aangezegd. Voor verweerster is de maat nu vol. Zij heeft geen vertrouwen dat verzoekster het schuldhulpverleningstraject succesvol gaat doorlopen en de lopende huur tijdig wordt voldaan.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster, een kopie van het vonnis van 18 juli 2025 en een kopie van het exploot van 31 juli 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op
9 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 november 2018 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid en (aanvullende) WW-uitkering. Daarnaast ontvangt zij toeslagen. Het inkomen is toereikend om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De huur over augustus, september en oktober 2025 is voldaan. Het feit dat de huurbetalingen in delen en/of te laat zijn voldaan, staat aan die vaststelling niet in de weg. Verzoekster staat sinds 8 augustus 2025 onder beschermingsbewind en haar vaste lasten, waaronder de huur, worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan. De rechtbank heeft het belang van de minderjarige zoon meegewogen. Een ontruiming is voor de zoon een ingrijpende maatregel in een voor hem door het overlijden van zijn vader uiterst verdrietige tijd. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank merkt op dat het aannemelijk is dat de voorgenomen overstap naar een andere beschermingsbewindvoerder vertragend werkt. Gezien de korte termijn van het moratorium en de forse schuldenlast is het voortvarend doorlopen van het minnelijk traject noodzakelijk.
De rechtbank hecht er waarde aan om verzoekster te benadrukken dat het van het grootste belang is dat zij tijdig de lopende huur voldoet. De enkele aanwezigheid van de minderjarige zoon heeft niet tot gevolg dat de huurwoning nimmer ontruimd mag worden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 november 2018 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
5 september 2025; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.