Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15107 - Rechtbank Rotterdam - 29 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1510729 december 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9987
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
(gemachtigde: [naam]).
  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor maatschappelijke opvang. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Procesverloop

  1. Met het bestreden besluit van 10 december 2025 heeft het college de aanvraag van verzoekster voor maatschappelijke opvang afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. O.C. Bozbiyik (waarnemer voor de gemachtigde van verzoekster) en de gemachtigde van het college.
2.2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Verzoekster heeft zich op 10 december 2025 gemeld bij het college voor toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo[1] 2015 voor haarzelf en haar minderjarige zoon. Zij heeft aangegeven onderdak nodig te hebben en hulp bij praktische zaken, zoals moeilijke brieven lezen. Ook zou zij met een psycholoog willen praten als zij een stabielere thuissituatie heeft.
Het college heeft met het besluit van diezelfde datum besloten dat verzoekster niet toegelaten wordt tot de maatschappelijke opvang, omdat is gebleken dat verzoekster in staat kan worden geacht om zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantel-zorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Het college acht verzoekster daarmee in staat om zelf huisvesting te regelen voor haarzelf en haar minderjarige zoon.
Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat zij niet zelfredzaam is. Het is haar immers niet gelukt, ook niet via anderen, om een vaste plek voor haar en haar zoon te kunnen vinden. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de belangen van haar minderjarige zoon onvoldoende zijn meegewogen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 8 van het EVRM[2] en 3 van het IVRK.[3]
Is er sprake van een spoedeisend belang?
  1. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure voor als iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn of haar bezwaar - of beroepschrift.
De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
  1. Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het gegeven dat zij en haar minderjarige zoon geen vaste verblijfplaats hebben. Zij hebben verzoeksters partner verlaten vanwege huiselijk geweld, waarna zij met haar zoon bij haar moeder verbleef.
Verzoekster geeft aan dat zij door haar moeder het huis is uitgezet en dat zij nu slapen in de auto van verzoekster of bij vriendinnen.
De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot deze afwijzing komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  1. Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving.[4] Verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door de problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.[5] In zo'n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval.
De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om het dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
  1. Gelet op het dossier komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college de aanvraag van verzoekster voor maatschappelijke opvang mocht afwijzen omdat verzoekster zelfredzaam is en daarmee niet voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang. Net als vele anderen heeft verzoekster een huisvestingsprobleem door het grote tekort aan (betaalbare) woonruimte in Nederland. De maatschappelijke opvang is bedoeld voor de (vele) personen die tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoren en niet als oplossing voor het huisvestingsprobleem van personen die buiten deze doelgroep vallen omdat zij voldoende zelfredzaam zijn.
Gelet op het dossier heeft verzoekster in Nederland met de hulp van haar sociale netwerk onderdak geregeld, heeft altijd gewerkt en is zij bezig met het regelen van huisvesting.
Het college heeft onderzocht en in het bestreden besluit onderbouwd dat verzoekster zelfredzaam is. De motivering en de feitelijke grondslag daarvan kan de voorzieningenrechter goed volgen.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster niet hoeft toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Wet maatschappelijke ondersteuning
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Dat blijkt uit de definitie van het begrip 'opvang' in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931. - - - ## Voetnoten
Wet maatschappelijke ondersteuning
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Dat blijkt uit de definitie van het begrip 'opvang' in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1931.