Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15005 - Rechtbank Rotterdam - 25 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1500525 november 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707690 / FA RK 25-7453
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.V. Paniagua, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende te [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI

1 Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 september 2025.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] ; - de pleegouders.
1.3. De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan een begeleider van Pameijer.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft bij de pleegouders.
2.3. De GI heeft zich bij brief van 4 maart 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 1 mei 2026.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] verblijft inmiddels tweeëneenhalf jaar bij de pleegouders. In oktober 2024 is het perspectief van [minderjarige] bepaald in het pleeggezin. De moeder heeft vertrouwen in de pleegouders, maar is wisselend over het perspectiefbesluit. De moeder treedt regelmatig uit contact en is dan niet bereikbaar. Beslissingen kunnen daardoor onvoldoende worden genomen. De Raad acht het passend om het gezag van de moeder te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij.

4 De standpunten

4.1. De GI sluit zich aan bij het verzoek van de Raad. Het gaat iets beter met de moeder. Er is gestart met bezoekmomenten tussen de moeder en [minderjarige] . Ook is de moeder uitgenodigd voor het zorgteamoverleg. De GI hoopt dat het goed blijft gaan met de moeder.
4.2. Door en namens de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder kan zich vinden in het beëindigen van het gezag, maar vindt het wel belangrijk dat er aandacht blijft voor het contact tussen haar en [minderjarige] . Het gaat momenteel niet goed met de moeder, maar zij werkt hard aan haarzelf om beter te worden. De moeder treedt soms uit contact vanwege haar gezondheid, maar wil de momenten wanneer het goed met haar gaat goed benutten om een rol te spelen in het leven van [minderjarige] . De moeder heeft vertrouwen in het pleeggezin en hoopt dat [minderjarige] hier voorgoed kan blijven.
4.3. De pleegouders zijn het eens met het verzoek van de Raad. [minderjarige] heeft het naar haar zin in het pleeggezin, maar de moeder blijft belangrijk voor haar. Zij geniet ervan als de moeder langskomt.

5 De beoordeling

5.1. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2. De kinderrechter is van oordeel dat er sprake is van de onder a genoemde situatie. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.3. Naar het oordeel van de kinderrechter wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen.[1] De moeder is vanwege persoonlijke problematiek onvoldoende in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De moeder kampt met gezondheidsproblemen waarvoor zij regelmatig wordt opgenomen. De moeder heeft weinig contact met [minderjarige] en de GI waardoor de moeder onvoldoende zicht heeft op wat er in het belang van [minderjarige] geregeld en besloten moet worden. Het is positief dat er de afgelopen periode bezoekmomenten hebben plaatsgevonden. [minderjarige] verblijft inmiddels tweeëneenhalf jaar in het huidige pleeggezin en het gaat goed met [minderjarige] . Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] op haar plek zit bij de pleegouders en bij hen moet blijven. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij het pleeggezin.
5.4. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder. Ook is voldaan aan de geldende Europese jurisprudentie, waaruit volgt dat deze inbreuk op het gezinsleven noodzakelijk is en dat een lichtere maatregel niet in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en het ouderlijk gezag van de moeder beëindigen.
5.5. Bovengenoemde betekent uiteraard niet dat de moeder niet meer de (biologische) moeder is van [minderjarige] . Dit zal altijd zo blijven. De moeder is en blijft de moeder van [minderjarige] en blijft dus belangrijk voor haar. De moeder houdt het recht op informatie over de ontwikkeling van [minderjarige] en het is belangrijk dat wordt bezien welke mogelijkheden er zijn voor contact tussen [minderjarige] en de moeder. Bij dit alles staat het belang van [minderjarige] voorop. De kinderrechter benadrukt dat het positief is dat de moeder heeft aangegeven hard aan zichzelf te werken, zodat de contacten tussen [minderjarige] en de moeder goed kunnen verlopen.
5.6. Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De kinderrechter dient op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over [minderjarige] te benoemen. In dat verband overweegt de kinderrechter als volgt.
5.7. De kinderrechter is van oordeel dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, moet worden belast met de voogdij. De GI heeft zich daartoe ook bereid verklaard.
5.8. De kinderrechter zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .[2] De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de moeder het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige.
5.9. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:
6.1. beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1988 in [geboorteplaats 2] , over [minderjarige], geboren op 4 [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
6.2. benoemt tot voogd over genoemde minderjarigede gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam;
6.3. bepaalt dat de moeder aan de voogd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.