Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14995 - Rechtbank Rotterdam - 13 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1499513 november 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708722 / JE RK 25-2159
Datum uitspraak: 13 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 21 oktober 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2. Aan de moeder is in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand als advocaat mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, aangewezen.
1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.4. De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de gezinshuisouder van [minderjarige] , [naam 3] , en de gezinshuisouder ter zitting als informant gehoord.
1.5. De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft bij een gezinshuis van [naam instelling] .
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 november 2025.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 19 november 2025.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. Ter zitting handhaaft de Raad het verzoek en licht dit als volgt toe. Het gaat goed met [minderjarige] in het gezinshuis, maar dit is geen perspectief biedend gezinshuis. De komende periode moet duidelijk worden waar het perspectief van [minderjarige] ligt. [minderjarige] heeft veel schade opgelopen bij de moeder thuis. Het is positief dat het contact met de vader is opgestart en goed verloopt. De GI heeft de Raad gevraagd of er een trajectmachtiging kon worden verzocht met als doel [minderjarige] bij de vader te gaan plaatsen, maar de Raad acht het daarvoor nog te vroeg. Het is wenselijk dat [minderjarige] bij een van haar ouders kan wonen in de toekomst, maar waar dat gaan zijn moet de komende periode onderzocht worden.

4 De standpunten

4.1. De GI heeft ter zitting aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] in het gezinshuis. Er is een intake geweest bij Coach-Point om te kijken of zij begeleiding kunnen bieden en [minderjarige] kunnen ondersteunen. Het gezinshuis is geen perspectief biedende plek en de komende tijd moet gekeken worden waar [minderjarige] het best kan opgroeien. Het gaat momenteel goed tussen de vader en [minderjarige] . De opa en oma van vaderszijde zijn ook erg betrokken en de vader heeft een groot netwerk. De GI hoopt dat de moeder en de vader open staan voor hulpverlening om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. De GI benadrukt dat het traject van [minderjarige] en de moeder los staat van het traject van [minderjarige] en de vader. Het is geen kwestie van 'beter met de vader' of 'beter met de moeder'. Het gaat erom dat op beide verbindingen wordt geïnvesteerd en dat onderzocht wordt wat nodig is voor [minderjarige] om de band met zowel haar vader als haar moeder veilig te krijgen. De GI benadrukt dat het dus niet zo is dat de moeder inlevert als [minderjarige] het goed heeft met de vader en ook andersom is dat niet het geval. Beide ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun band met [minderjarige] .
4.2. Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder kan zich vinden in het oorspronkelijke verzoek van de Raad. Het is belangrijk dat er de komende periode stappen gezet gaan worden en hulpverlening wordt opgestart. [minderjarige] heeft de komende periode duidelijkheid nodig. Als blijkt dat er een wijziging van het perspectief is, kan een nieuwe machtiging gevraagd worden. De moeder voegt daaraan toe dat zij het idee heeft dat het minder goed gaat met [minderjarige] en dat het contact tussen haar en [minderjarige] alleen maar slechter is geworden. De moeder hoopt dat zij terug naar huis komt in de toekomst. De moeder wil graag een traject starten om de situatie tussen haar en [minderjarige] te verbeteren.
4.3. De vader heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De vader is blij dat hij na zo veel jaren zijn dochter weer ziet en dat het contact fijn is. Op vragen van de kinderrechter heeft de vader geantwoord dat hij er alles aan wil doen om de jarenlange strijd met de moeder te staken. De vader heeft duidelijk gemaakt dat hij niet meer over dwangsommen uit het verleden wil beginnen. Als dat de situatie van [minderjarige] ten goede komt, heeft hij dat er graag voor over.

5 Informatie van de informant

5.1. Door de gezinshuisouder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [minderjarige] en zij maakt een enorme ontwikkeling door. De afgelopen periode is niet altijd gemakkelijk geweest, maar [minderjarige] heeft grote stappen gezet. Zij moet leren dat zij er mag zijn en zich niet de hele tijd hoeft af te stemmen op haar omgeving. Dat dat er zo sterk in zit bij haar, zegt heel veel. Langzaamaan begint zij emoties toe te laten. Dat is een belangrijk proces.

6 De beoordeling

6.1. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[1] Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] voortduurt.[2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Zij heeft een lange tijd een onveilige opvoedomgeving gekend. Daardoor is zij uiteindelijk geplaatst in een gezinshuis. Er zijn ernstige en grote zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat de relatie tussen [minderjarige] en de moeder nog steeds ernstig is verstoord. Het contact tussen [minderjarige] en de vader gaat steeds beter. Er is sprake van een langdurige strijd tussen de ouders en het lukt de ouders niet om [minderjarige] buiten deze strijd te houden. [minderjarige] moet onbelast contact met beide ouders kunnen hebben. [minderjarige] heeft het naar haar zin in het gezinshuis en ontwikkelt zich daar goed. De kinderrechter concludeert dat [minderjarige] momenteel niet terug kan naar de moeder, waardoor een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Er is nog geen hulpverlening ingezet bij de moeder en de zorgen zijn nog onverminderd aanwezig. De komende tijd is het van belang dat er wordt gestart met hulpverlening en dat het perspectief voor [minderjarige] duidelijk wordt. Het is belangrijk dat zij op een plek zit waar zij veilig is, zichzelf kan zijn en leert om haar eigen leven te leiden. De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat de ouders elkaar niet diskwalificeren als ouder, zij elkaar niet als concurrent zien en dat de ouders aan de slag gaan met de toezeggingen die ter zitting zijn gedaan. Het is positief dat de vader aangegeven heeft de dwangsommen kwijt te schelden om in het belang van [minderjarige] stappen te kunnen zetten. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders het belang van [minderjarige] voorop zullen stellen. Daarvoor is ook noodzakelijk dat de moeder niet zo star vasthoudt aan haar eigen perspectief, maar zich verplaatst in [minderjarige] .
6.3. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling nodig is. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de verzochte duur, te weten zes maanden.
6.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:
7.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 13 november 2025 tot 13 november 2026;
7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 november 2025 tot 13 mei 2026;
7.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.