Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14989 - Rechtbank Rotterdam - 19 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1498919 november 2025

Uitspraak inhoud

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/688712 / HA ZA 24-926
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
STEDIN NETBEHEER B.V.,
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Stedin,
advocaat: mr. A. Ester,
tegen
[gedaagde],
te Zwijndrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P.A. van Lange.

1 De zaak in het kort

1.1. Stedin vordert vergoeding van [gedaagde] van haar schade als gevolg van het buiten de meter om afnemen van energie in een bedrijfsruimte in eigendom van [gedaagde]. [gedaagde] betwist dat hij gehouden is tot vergoeding van deze schade omdat hij de bedrijfsruimte verhuurde. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] ook als hij de bedrijfsruimte verhuurde, gehouden is de schade van Stedin te vergoeden, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] heeft voldaan aan zijn zorgplicht jegens Stedin om te voorkomen dat in de bedrijfsruimte buiten de meter om elektriciteit wordt gebruikt.

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het incidenteel vonnis van 2 april 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord; - de brieven van de rechtbank van 22 augustus 2025 en 15 september 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een uiteindelijk op 14 oktober bepaalde mondelinge behandeling; - het bericht van 17 september 2025 van de rechtbank waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over en zijn geïnstrueerd ten aanzien van de mondelinge behandeling; - het bericht van mr. Van Lange van 13 oktober 2025 waarin hij aangeeft dat hij geen contact kan krijgen met [gedaagde]; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025.
2.2. De rechtbank heeft [gedaagde] bij tussenvonnis van 2 april 2025 toegestaan [naam] (hierna: [naam]) in vrijwaring op te roepen. [naam] zou de huurder van de bedrijfsruimte zijn ten tijde van de ontdekking van de hennepkwekerij. [gedaagde] heeft [naam] niet in vrijwaring opgeroepen.
2.3. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3 De feiten

3.1. [gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan het [adres]. Op 28 augustus 2024 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in deze bedrijfsruimte. Een fraudemedewerker van Stedin heeft nog dezelfde dag de bedrijfsruimte bezocht en vastgesteld dat de verzegeling van de hoofdaansluitkast was verbroken, dat door aanpassingen aan de aansluitkast een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen kon worden afgenomen dan voor de aanpassing en dat de afgenomen elektriciteit niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Stedin heeft naar aanleiding van deze bevindingen aangifte gedaan van diefstal van energie.
3.2. [gedaagde] heeft op 28 augustus 2024 gesproken met de fraudemedewerker van Stedin en laten weten dat hij de bedrijfsruimte verhuurde. [gedaagde] heeft geen schriftelijke huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte en er is geen huur per bank betaald.
3.3. Stedin heeft op basis van de bevindingen bij de ontdekking van de hennepkwekerij een berekening gemaakt van haar schade als gevolg van de buiten de meter om afgenomen energie en heeft van [gedaagde] vergoeding gevorderd van deze schade. [gedaagde] heeft de schade van Stedin niet vergoed.
3.4. Stedin heeft tot zekerheid van haar vordering toestemming gevraagd en gekregen om beslag te leggen op de bedrijfsruimte van [gedaagde]. Dit beslag is op 11 oktober 2024 gelegd.

4 Het geschil

4.1. Stedin vordert – samengevat – [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 33.897,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024, althans de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alles tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, de kosten van het beslag, alsmede een bedrag ter zake van het salaris advocaat daaronder begrepen.
4.2. Stedin legt – kort samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Op [gedaagde] als eigenaar rust een zorgplicht om toezicht te houden op het bedrijfspand, zowel als het pand leegstaat als wanneer het is verhuurd. Aan die zorgplicht heeft [gedaagde] niet voldaan en daarmee heeft hij onrechtmatig gehandeld jegens Stedin.
4.3. De schade van Stedin als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft Stedin als volgt begroot: - de onbemeten afgenomen elektriciteit € 30.886,57 - het hogere capaciteitstarief als gevolg
van het verzwaren van de aansluiting € 1.653,65 - De kosten van herstel van het energietransport € 176,93 - De kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b en c € 1.180,11
4.4. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Stedin, met veroordeling van Stedin in de kosten van deze procedure.
4.5. [gedaagde] voert – kort samengevat – het volgende aan. Nu niet hij maar zijn huurder een contractuele relatie had met Stedin is hij niet aansprakelijk voor de schade van Stedin. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig handelde jegens Stedin, nu zijn huurder de veroorzaker van de schade is en [gedaagde] wist noch behoorde te weten van de illegale activiteiten in de bedrijfsruimte. Met het verstrekken aan Stedin van de naam van de huurder heeft [gedaagde] voldaan aan zijn zorgplicht jegens Stedin. Meer subsidiair betwist [gedaagde] de hoogte van de schade. [gedaagde] betwist dat de hennepkwekerij een exploitatieperiode kende van ruim acht maanden.
4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Onrechtmatig handelen [gedaagde]
5.1. Van een contractuele relatie tussen Stedin en [gedaagde] is geen sprake. Anders dan [gedaagde] aanvoert, betekent dit niet dat [gedaagde] niet aansprakelijk kan zijn jegens Stedin voor de schade als gevolg van het manipuleren van de meter en de daardoor mogelijk gemaakte illegale stroomafname. Als [gedaagde] ofwel actief betrokken was bij de illegale stroomafname ofwel de verantwoordelijkheid voor zijn eigendom niet heeft genomen door volledig de ogen te sluiten voor wat anderen, bijvoorbeeld een huurder, met de bedrijfsruimte zouden kunnen doen als gevolg waarvan derden zoals Stedin schade zouden kunnen lijden, heeft hij jegens Stedin in strijd gehandeld met de in acht te nemen maatschappelijke betamelijkheid. Dan is hij op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die Stedin daardoor heeft geleden.[1]
5.2. Dat [gedaagde] actief betrokken was bij de illegale stroomafname kan op grond van wat is gesteld en gebleken niet worden aangenomen.
5.3. Dat brengt de rechtbank tot de vraag of [gedaagde] voldoende gemotiveerd heeft betwist de stellingen van Stedin die er in de kern op neerkomen dat [gedaagde] de verantwoordelijkheid voor zijn eigendom niet heeft genomen. De rechtbank zal dit beoordelen uitgaande van [gedaagde]'s stelling dat hij de bedrijfsruimte verhuurde. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de afspraken met de huurder niet schriftelijk heeft vastgelegd en dat de huurpenningen steeds contant zijn betaald. Dat hij de identiteit van de huurder heeft gecontroleerd aan de hand van diens identiteitsbewijs, heeft [gedaagde] niet aangevoerd zodat de rechtbank ervan uitgaat dat (ook) dat niet is gebeurd. Door op deze onzorgvuldige wijze te handelen en na te laten, heeft [gedaagde] niet de maatregelen genomen die van hem mochten worden verwacht om het risico te beperken met een mogelijk onbetrouwbare huurder in zee te gaan. Hij heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigendom niet genomen.
5.4. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Stedin en gehouden is de schade van Stedin als gevolg van de diefstal van energie en de ongeoorloofde aanpassingen aan de meter te vergoeden.
Omvang schade
5.5. Als gevolg van het feit dat [gedaagde] zijn verantwoordelijkheid voor de bedrijfsruimte niet heeft genomen, kan de omvang van de niet geregistreerde elektriciteitsafname niet exact worden gemeten. Stedin zal voldoende feiten en omstandigheden moeten stellen (en zo nodig bewijzen) die de afgenomen hoeveelheid elektriciteit voldoende aannemelijk maken zodat de schade beredeneerd kan worden geschat (op grond van artikel 6:97 BW). Het is vervolgens aan [gedaagde] om deze stellingen gemotiveerd te betwisten.
5.6. Stedin heeft aan de hand van de door haar in het geding gebrachte schadeberekening en het 'Fotoboek aangifte' haar schade gemotiveerd onderbouwd. De overgelegde schadeberekening is gebaseerd op het vermogen van de op de illegale aansluiting aangesloten elektrische apparatuur en de gebruikstijd per dag van die apparatuur. Het daarmee berekende energieverbruik per dag is vermeerderd met het aantal dagen dat de kwekerij naar schatting is geëxploiteerd. De schatting van de exploitatieperiode is gebaseerd op de bij ontdekking geconstateerde mate van vervuiling, zoals de vervuiling op het afdekzeil, de (ernstige) vervuiling op de lampenkappen en de (ernstig) vervuilde koolstoffilters alsmede op het aantreffen van oude assimilatielampen en scharen met hennepresten. Op basis van de geconstateerde mate van vervuiling heeft Stedin een exploitatieperiode van 250 dagen vastgesteld.
5.7. [gedaagde] heeft de waarnemingen van Stedin over de op de illegale aansluiting aangesloten apparatuur niet betwist. Ook het energieverbruik per dag van de aangetroffen apparatuur heeft [gedaagde] niet betwist. Wel heeft [gedaagde] ter betwisting van de schade aangevoerd dat Stedin de exploitatieperiode van de kwekerij niet juist heeft geschat. Volgens [gedaagde] heeft Stedin onvoldoende aangetoond dat de kwekerij tenminste acht maanden is geëxploiteerd. Een deugdelijke motivering van deze stelling heeft [gedaagde] niet gegeven. Gelet op de toelichting die Stedin heeft gegeven op de schatting van de exploitatieperiode, had dit wel op de weg van [gedaagde] gelegen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [gedaagde] de gedetailleerde berekening van de schade door Stedin onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat moet worden uitgegaan van de door Stedin bij benadering geschatte exploitatieperiode. De rechtbank acht de door Stedin gehanteerde berekeningsmethode een voldoende en deugdelijke onderbouwde schatting van de door haar gestelde schade van € 30.886,57 door de onbemeten afgenomen elektriciteit.
5.8. De door Stedin gevorderde kosten van het herstellen van het energietransport (€ 176,93) en het capaciteitstarief (€ 1.653,65) heeft [gedaagde] niet betwist en zijn (ook) toewijsbaar. De gevorderde kosten voor de vergoeding van de werkzaamheden van de binnen - en buitendienst van Stedin (€ 1.180,11) zal de rechtbank conform de BIK-staffel matigen tot € 1.102,17
Samenvatting, kosten beslag en proceskosten
5.9. Gelet op het voorgaande wordt [gedaagde] veroordeeld het bedrag van € 33.819,32 aan Stedin te voldoen. De wettelijke rente daarover gerekend vanaf 10 oktober 2024 is niet betwist. Nu sprake is van een vordering uit onrechtmatige daad is het verzuim ingetreden op het moment dat de schade is ontstaan. De wettelijke rente wordt daarom conform de vordering toegewezen.
5.10. Stedin vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 423,39 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 786,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 786,00), totaal € 1.897,39.
5.11. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stedin worden begroot op:

6 De beslissing

De rechtbank
6.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Stedin van een bedrag van € 33.819,32 te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 10 oktober 2024,
6.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.897,39,
6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.087,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
[3979;1729]
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7475, r.o. 4.3 en Hof Den Bosch 24 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3489, r.o. 3.2.4. - - - ## Voetnoten
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7475, r.o. 4.3 en Hof Den Bosch 24 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3489, r.o. 3.2.4.