Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14939 - Rechtbank Rotterdam - 10 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1493910 december 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708755 / JE RK 25-2165
Datum uitspraak: 10 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. S. Krol, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met mr. F. Pool, waarnemend voor mr. M.S. Krol; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3. De kinderrechter heeft tijdens de zitting begrepen dat de oproep van [minderjarige] per abuis naar het verkeerde adres is gestuurd. De kinderrechter heeft ter zitting benadrukt dat [minderjarige] altijd welkom is om in gesprek te gaan met de kinderrechter of haar een brief te sturen, maar dat als hij daar geen behoefte aan heeft, dat uiteraard ook goed is.
1.4. De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de begeleidsters van de moeder.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft bij [naam instelling] .
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 december 2025.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juni 2025 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, waarbij [minderjarige] gedurende het weekend verblijft in een voorziening voor pleegzorg, verlengd tot 18 december 2025.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] verlopen goed. Zij zien elkaar nu om de week een uur en in de week dat de moeder [minderjarige] niet ziet, bellen ze. In het begin ging dit goed. Inmiddels heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het niet zo fijn vindt om te bellen. De moeder heeft toen bedacht dat ze een boekje zal voorlezen tijdens het bellen. Op die manier hoeft [minderjarige] niet te praten maar alleen te luisteren. Dit gaat goed. [minderjarige] krijgt op de groep de structuur en stabiliteit die hij nodig heeft. Desgevraagd erkent de GI dat zij het perspectiefbesluit heeft genomen in een periode waarin het niet goed ging met de moeder. Omdat [minderjarige] inmiddels ook al een jaar bij [naam instelling] verblijft en zijn ondertoezichtstelling al veel langer loopt heeft de GI een raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging aangevraagd. Dit is nog niet gestart.
Momenteel ziet de GI een moeder die haar afspraken nakomt en die aansluit bij [minderjarige] . Zij hebben fijne momenten samen en de moeder stelt zich bereikbaar op voor de GI. De positieve ontwikkelingen zijn echter nog pril en de moeder heeft nog ondersteuning en begeleiding nodig bij haar persoonlijke problematiek. Reden waarom de maatregelen verlengd moeten worden. Vanuit de Verrekijker is verder aangegeven dat de GI op zoek moet naar een perspectief biedende plek (pleeggezin) voor [minderjarige] . Het pleeggezin wat vanuit de Verrekijker is geadviseerd is volgens de GI niet passend. De GI is van plan om komend jaar te zoeken naar een alternatief en te werken naar een situatie waarin [minderjarige] afwisselend een weekend in het weekendpleeggezin en een weekend bij de moeder doorbrengt. Voordat dit echter wordt ingevoerd, wil de GI deze mogelijkheid grondig onderzoeken, aangezien het na lange tijd goed gaat met [minderjarige] en een terugval voorkomen moet worden.

4 Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is ter zitting het volgende aangevoerd. De moeder krijgt begeleiding vanuit het Housing First traject en heeft inmiddels een woning. Dit traject duurt in principe twee jaar en is nu vier maanden gaande. Gedurende deze periode zullen er regelmatig evaluaties plaatsvinden om te beoordelen of de ondersteuning stapsgewijs kan worden verminderd, met als doel uiteindelijk de verplichte zorg te beëindigen. De moeder zou op termijn graag weer voor [minderjarige] willen zorgen en hoopt dat hij uiteindelijk weer bij haar kan wonen. De moeder zet stappen en neemt verantwoordelijkheid voor het verleden. Binnenkort start de moeder ook met emotie-regulatie therapie bij Antes. De moeder wil dat er de aankomende tijd meer wordt gekeken naar haar mogelijkheden in plaats van naar haar onmogelijkheden. Op 23 december 2025 heeft de moeder een afspraak met de Raad voor de Kinderbescherming, in het kader van het onderzoek dat de GI heeft aangevraagd. Gezien de ontwikkelingen, verzoekt de moeder om een kortere verlenging van de maatregelen dan de door de GI voorgestelde termijn. De moeder verzoekt om verlenging voor zes maanden, zodat er in mei 2026 opnieuw een toetsmoment kan plaatsvinden.

5 De beoordeling

5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De afgelopen periode heeft er echter een prille positieve ontwikkeling plaatsgevonden, waardoor er meer rust is ontstaan. Sinds [minderjarige] begonnen is met het gebruik van medicatie, merken zowel de groepsleiding als de ouderbegeleider van [naam instelling] een duidelijk positief verschil in zijn gedrag. De medicatie helpt [minderjarige] om rustiger te worden en meer te profiteren van de stabiliteit en structuur die de groep en het weekendpleeggezin hem biedt. Daarnaast is [minderjarige] gestart met school en heeft hij structurele omgang met zijn moeder, wat bijdraagt aan zijn verdere positieve ontwikkeling. Er is veel liefde tussen de moeder en [minderjarige] , en hij mist zijn moeder erg.
5.3. Ook de moeder heeft de afgelopen periode stappen vooruit gezet. Zij is gestart met een Housing First traject en heeft sinds kort een woning. De moeder werkt aan haar persoonlijke problematiek en staat open voor de hulpverlening. Er zullen de komende periode meer veranderingen plaatsvinden. Zo zal de moeder starten met emotieregulatie therapie bij Antes. Ook zal ook het raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging van start gaan.
5.4. Om voornoemde (prille positieve) ontwikkeling te blijven volgen en om de moeder en [minderjarige] te ondersteunen en de noodzakelijk geachte hulpverlening te kunnen blijven inzetten, acht de kinderrechter de voortzetting van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is nog steeds nodig. De Verrekijker sluit goed aan bij [minderjarige] en biedt de hem de rust en regelmaat die hij nodig heeft. De kinderrechter acht het zodoende in het belang van [minderjarige] dat zijn behandeling daar gecontinueerd wordt.
Gelet op voorgaande is de kinderrechter ook van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang
van de verzorging en opvoeding.[2]
5.5. Het onderzoek door de Raad naar gezagsbeëindiging is kennelijk inmiddels gestart, voor de moeder brengt dit veel spanning mee. Dit onderzoek komt voort uit een perspectiefbesluit dat is genomen in een periode dat de moeder dakloos was en het niet goed met haar ging. Inmiddels is de situatie van de moeder aanmerkelijk verbeterd, heeft zij een eigen woning en werkt zij goed mee met de begeleiding. Voorts is duidelijk geworden dat de moeder goed aansluit bij de behoeften van [minderjarige] ; de door moeder zelf aangedragen oplossing om haar belcontact met [minderjarige] voor [minderjarige] positief te laten zijn is daarvan in de ogen van de kinderrechter een goed voorbeeld. Voorts is van belang dat [minderjarige] zijn moeder mist. De komende periode moet duidelijk worden welke rol de moeder in het belang van [minderjarige] kan gaan spelen in zijn verdere ontwikkeling, ervan uitgaande dat de positieve ontwikkeling bij de moeder doorzet. Daarbij is van belang dat de behandeling van [minderjarige] bij de Verrekijker binnen een afzienbare periode zal worden afgesloten en er een nieuwe woonplek voor hem zal moeten komen. Onderzocht moet daarom worden of en op welke manier de moeder, mogelijk in combinatie met een pleeggezin, daarbij een rol kan spelen.
5.6. Om een vinger aan de pols te houden zal de kinderrechter daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 18 juni 2026, waarbij de beslissing op het overig verzochte zal worden aangehouden tot de hierna te melden pro forma datum (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.7. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de hierna te noemen pro forma datum de rechtbank (met afschrift aan de moeder en haar advocaat) een briefrapportage te doen toekomen over de actuele stand van zaken.

6 De beslissing

De kinderrechter:
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 juni 2026;
6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 juni 2026;
6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot 1 mei 2026 pro forma;
6.5. bepaalt dat de GI, de moeder en haar advocaat op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6. verzoekt de GI uiterlijk een week voor genoemde pro forma datum, met afschrift aan de belanghebbenden en hun advocaten, de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.