Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14932 - Rechtbank Rotterdam - 12 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1493212 december 2025

Uitspraak inhoud

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11807616 CV EXPL 25-15942
datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna 'Woonstad' en ' [gedaagde] ' genoemd.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
1.2. Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] namens Woonstad, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig met de heer [persoon C] , mevrouw [persoon D] en mevrouw [persoon E] . De zaak is tegelijk behandeld met een zaak tussen Woonstad en meerdere gedaagden, waaronder [gedaagde] (zaaknummer: 11619586 CV EXPL 25-8030).

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1. [gedaagde] huurt sinds 11 mei 2007 de woning gelegen aan de [adres] in Rotterdam van (de voorganger van) Woonstad. De huur is nu € 564,18 per maand. Tot en met de maand november 2025 is er een huurachterstand van € 4.299,40. Woonstad eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt. Woonstad eiste dat de huurovereenkomst zou worden ontbonden en de woning moest worden ontruimd, maar heeft tijdens de zitting de vorderingen die betrekking hebben op de ontbinding en de ontruiming ingetrokken. Zij vordert alleen nog betaling van de huurachterstand.
2.2. [gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is. Zij geeft aan dat zij de huur niet kon betalen, omdat de gemeente Rotterdam haar na een woonplaatsonderzoek heeft ingeschreven op een ander adres. Hierdoor is haar AOW gekort en de huurtoeslag stopgezet, waardoor [gedaagde] de huur niet meer kon betalen.
2.3. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen. De wettelijke rente wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 4.299,40 betalen
2.4. [gedaagde] wordt veroordeeld om € 4.299,40 aan Woonstad te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand november 2025 zit hier dus bij.
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
2.5. De kantonrechter wijst de rente af. In de algemene voorwaarden van Woonstad is zowel in artikel 5.3 als in artikel 14.5 een boetebepaling opgenomen. In artikel 5.3 van de algemene voorwaarden is opgenomen dat [gedaagde] een boete van € 35, - verschuldigd is voor elke maand dat zij in verzuim is met het op tijd betalen van de huur. Op grond van artikel 14.5 van de algemene voorwaarden moet [gedaagde] daarnaast ook een boete van € 25, - per kalenderdag betalen als zij de bepalingen van de algemene voorwaarden overtreedt. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Omdat in ieder geval het cumulatieve effect van die bepalingen oneerlijk is, mag Woonstad daar geen beroep op doen en kan zij, in tegenstelling tot artikel 14.3 van de algemene voorwaarden, ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet.[1] Op grond van de wet zou [gedaagde] als zij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Woonstad wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepalingen hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.6. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonstad moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 514,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.254,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad te betalen € 4.299,40;
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.254,45;
3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia). - - - ## Voetnoten
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia).