Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14875 - Rechtbank Rotterdam - 1 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:148751 oktober 2025

Uitspraak inhoud

vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/680680 / HA ZA 24-514
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[persoon A], in haar hoedanigheid van legitimaris,
wonende te [woonplaats A] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.A. Kanning te Haarlem,
tegen
[persoon B], in zijn hoedanigheid van enige erfgenaam/vereffenaar,
wonende te [woonplaats B] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. G.J. van den Adel te Hendrik-Ido-Ambacht.
Partijen zullen hierna ' [persoon A] ' en ' [persoon B] ' genoemd worden, omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.

1 De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. De zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2025 in het gerechtsgebouw in Dordrecht. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Tevens waren aanwezig: een kantoorgenoot van mr. Van den Adel, de partner van [persoon A] en de partner van [persoon B] en haar zoon.

2 Het geschil in conventie en in reconventie

2.1. Op [overlijdensdatum] is in Dordrecht overleden mevrouw [erflaatster]
(hierna: erflaatster). Erflaatster was de moeder van [persoon A] en [persoon B] . Erflaatster
heeft in haar testament [persoon B] tot haar enige erfgenaam benoemd en [persoon A] expliciet onterfd.
[persoon B] heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard, zodat de nalatenschap door
[persoon B] moet worden vereffend. [persoon A] heeft bij [persoon B] aanspraak gemaakt op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster
2.2. In het vonnis in incident van 4 december 2024 is [persoon B] veroordeeld om voor de berekening van de legitieme portie van [persoon A] binnen één maand na de datum van dit vonnis aan [persoon A] te verstrekken: - nadere stukken van de verkoop van de auto van erflaatster (Peugeot 407 uit 2004)
als bedoeld onder 2.14 van dit vonnis: - de aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster van de jaren 2019 tot en met 2023.
[persoon B] heeft hieraan voldaan.
2.3. [persoon A] heeft bij akte haar vordering in de hoofdzaak nader toegelicht en haar eis gewijzigd. Tijdens de zitting heeft [persoon A] een deel van haar eis (het verstrekken van aanvullende stukken) ingetrokken. Dit maakt dat [persoon A] het volgende eist:
2.4. [persoon B] stelt zich op het standpunt dat de legitimaire massa € 147.889,65 bedraagt en de legitieme portie van [persoon A] € 26.695,41. Volgens [persoon B] heeft de nalatenschap van erflaatster echter nog een vordering op [persoon A] van € 21.600, - met rente (tot 14 april 2025: € 6.245,24). [persoon B] doet een beroep op verrekening van deze vordering met de legitieme portie van [persoon A] , zodat [persoon A] nog een bedrag van € 1.149,83 aan de nalatenschap van erflaatster moet voldoen.
2.5. [persoon B] vordert gelet op het voorgaande in reconventie dat [persoon A] veroordeeld wordt om te betalen € 21.600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert [persoon B] in reconventie dat [persoon A] wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie
Het toetsingskader
3.1. De legitieme portie wordt berekend over de zogeheten legitimaire massa. Dit is de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan (artikel 4:65 BW). Bij de berekening van de legitieme portie worden (onder andere) in aanmerking genomen de door erflaatster gedane giften aan (onder anderen) een afstammeling, mits deze legitimaris van de erflaatster is (artikel 4:67 aanhef en onder d BW), en andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor overlijden van erflaatster is geschied (artikel 4:67 aanhef en onder e BW). Tussen partijen is niet in geschil dat het zogeheten legitieme breukdeel van [persoon A] 1/4e deel bedraagt (artikel 4:64 BW). De waarde van giften, door de erflaatster aan [persoon A] gedaan, komt in mindering op de legitieme portie (artikel 4:70 BW).
Waar zijn partijen het over eens?
3.2. Om de legitimaire massa en legitieme portie te kunnen berekenen moet dus worden vastgesteld wat de goederen van de nalatenschap zijn, wat de schulden zijn en wat de in aanmerking te nemen giften zijn. De rechtbank stelt vast dat partijen het over het volgende eens zijn:
Tot goederen van de nalatenschap behoren:
Totaal: € 57.384, - Tot de schulden van de nalatenschap behoren:
Totaal: € 8.812, - Tot de in aanmerking te nemen giften behoren:
Totaal: € 71.473, - Waar zijn partijen het niet over eens?
3.3. Uit wat tijdens de zitting is besproken volgt dat volgens [persoon A] tevens tot de goederen van de nalatenschap dan wel tot de giften behoren: - Gepinde/geïnde bedragen, totaal: € 336.856,-:
o Tanken € 24.618,
o Zonder rechtsgrond gepind € 176.638, - o [adres 1] € 60.000, - o Garagebox [adres 2] € 75.600, - 3.4. [persoon A] heeft in eerste instantie het standpunt ingenomen dat de post 'auto € 2.500,-', de post 'rente leningen [persoon B] p.m.' en de post ' [adres 1] te Naarden € 62.500,-' ook tot de goederen van de nalatenschap behoren, maar tijdens de zitting is [persoon A] hierop teruggekomen, zodat deze posten niet meer besproken hoeven te worden.
3.5. Volgens [persoon B] behoort ook tot de goederen van de nalatenschap: - Vordering op [persoon A] + rente tot 14 april 2025 € 27.845,24
3.6. Hieronder zal per post op wat partijen verdeeld houdt worden ingegaan.
Gepinde/geïnde bedragen: Tanken € 24.618,-
3.7. [persoon A] stelt zich op het standpunt dat [persoon B] in de periode van 2017 tot en met 2023 met betaalpas 015 van erflaatster zonder rechtsgrond € 24.618, - voor tanken heeft gepind. Gelet op de plaatsen waar de pinopnames zijn verricht en gelet op het feit dat de auto van erflaatster ook door [persoon B] vriendin werd gebruikt, kunnen de pinopnames volgens [persoon A] niet ten behoeve van erflaatster zijn geweest, maar waren ze ten behoeve van [persoon B] .
3.8. De rechtbank kan [persoon A] in dit standpunt niet volgen. [persoon B] heeft namelijk gemotiveerd betwist dat de voor tanken gepinde bedragen aan hem ten goede zijn gekomen. Volgens [persoon B] rijdt hij vanwege zijn visuele handicap zelf geen auto en reed erflaatster tot heel kort voor haar overlijden zelf nog overal heen met haar eigen auto, waaronder naar Zwijndrecht naar het bedrijf van [persoon B] vriendin en naar België en Duitsland om daar veel goedkopere sigaretten te kopen. Daarnaast was zijn vriendin volgens [persoon B] in al deze jaren zelf in het bezit van twee auto's, waardoor zij dus geen enkel belang had om de auto van erflaatster te gebruiken. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [persoon B] , had het op de weg van [persoon A] gelegen om nader te onderbouwen waaruit volgt dat de getankte bedragen aan [persoon B] ten goede zijn gekomen. [persoon A] heeft dat echter niet gedaan. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat een bedrag van € 24.618, - dat voor tanken is gepind aan [persoon B] ten goede is gekomen.
Gepinde/geïnde bedragen: Zonder rechtsgrond gepind € 176.638,-
3.9. Volgens [persoon A] is er in het jaar 2017 voor een bedrag van € 176.638, - zonder rechtsgrond gepind van de bankrekening van erflaatster. Het gaat om een bedrag van € 130.368,33 dat aan contanten is opgenomen met pasnummer 015 van erflaatster en een bedrag van € 61.370, - dat aan contanten is opgenomen met pasnummer 013 van erflaatster. [persoon A] stelt zich op het standpunt dat wel rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 15.100, - per jaar aan volgens Nibud gemiddelde uitgaven per jaar. Zo komt [persoon A] uit op een zonder rechtsgrond gepind bedrag van € 176.386, - (= € 130.368,33 plus € 61.370, - min € 15.100,-). Dit bedrag moet volgens [persoon A] aan [persoon B] ten goede zijn gekomen.
3.10. De rechtbank is van oordeel dat [persoon A] niet gevolgd kan worden in haar standpunt dat het bedrag van € 176.386, - volledig aan [persoon B] ten goede is gekomen. Maar [persoon B] kan echter ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat helemaal niets van dit bedrag aan hem ten goede is gekomen. Hierna wordt dit toegelicht.
3.11. [persoon B] legt aan zijn betwisting dat de in 2017 gepinde bedragen van de bankrekening van erflaatster niet aan hem ten goede gekomen het volgende ten grondslag. Erflaatster beheerde zelf haar financiën en [persoon B] verleende slechts hand - en spandiensten. Volgens [persoon B] pinde erflaatster zelf, was [persoon B] slechts uit veiligheidsoverwegingen bij het pinnen aanwezig en kan [persoon B] gelet op zijn visuele handicap ook niet zelf pinnen. [persoon B] heeft het geld zelf niet in handen gehad. Erflaatster heeft in 2017 veel meer heeft uitgegeven dan in de jaren daarna, omdat erflaatster in 2017 haar woning had verkocht en vervolgens is verhuisd. Erflaatster heeft toen veel geld uitgegeven aan het verbouwen/opknappen van de woning en aan nieuw meubilair. Ook had erflaatster besloten om een fijn leven te gaan leiden en gaf ze daardoor veel geld uit aan vakanties, uitjes, mooie kleding en schoenen.
3.12. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [persoon B] (ingenomen in zijn conclusie van antwoord en ook herhaald ter zitting) dat hij niet degene was die pinde, maar erflaatster dat zelf deed, ongeloofwaardig is gelet op de eerdere verklaring van [persoon B] en de door [persoon B] overgelegde stukken. In zijn antwoordakte in incident (rn. 37.) heeft [persoon B] namelijk als volgt verklaard:
" (…) Op 1 december 2016 heeft erflaatster [persoon B] gemachtigd om namens haar pinopnames te mogen doen (productie 31). Erflaatster heeft dit bewust gedaan omdat zij niet graag zelf geld pinde. Tegelijkertijd was erflaatster er altijd bij als er geld gepind moest worden. Dit had te maken met de visuele handicap van [persoon B] (die met een oog niets ziet en met het andere oog ca. 17%). (…)"
Daarnaast staat in een door [persoon B] overgelegde volmacht van erflaatster van 1 december 2016 (productie 31van [persoon B] ) het volgende:
"(…) De heer [persoon B] zal voor mij geld pinnen en aan mij afdragen. Omdat ik het niet fijn vindt om alleen te pinnen, doet de heer [persoon B] dit voor mij. (…)"
En in door [persoon B] overgelegde ondertekende brief van erflaatster van 31 december 2017 (productie 32 van [persoon B] ) verklaart erflaatster dat [persoon B] de administratie, boekhouding en pinopdrachten goed voor haar heeft uitgevoerd in 2017.
3.13. Omdat [persoon B] dus in eerste instantie zelf het standpunt heeft ingenomen dat hij degene was die pinde en dit ook volgt uit twee door erflaatster ondertekende documenten (productie 31 en 32), acht de rechtbank het later gewijzigde standpunt van [persoon B] dat erflaatster zelf pinde ongeloofwaardig. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat [persoon B] degene is geweest die de pinopnames deed.
3.14. Hoewel het gelet op productie 32 aannemelijk is dat [persoon B] een deel van de gepinde bedragen heeft afgegeven aan erflaatster, kan [persoon B] niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij in 2017 alle door hem gepinde bedragen aan erflaatster heeft afgegeven.
Met de betaalpas 015 zijn namelijk in 2017 meerdere keren per week bedragen van in eerste instantie € 500, - en later € 1.000, - per keer gepind en met de betaalpas 013 zijn daarnaast nog zesmaal bedragen van € 10.000, - per keer opgenomen(op 13 februari, 7 maart, 13 april, 14 juni, 19 juli en 12 september 2017). Erflaatster moet gelet hierop in 2017 ongeveer een bestedingspatroon van € 15.000, - per maand hebben gehad. Dat erflaatster, die volgens [persoon A] (en wat door [persoon B] niet is weersproken) eerst een spaarzaam leven leidde, na de verkoop van haar woning in februari 2017 (met een netto opbrengst van € 507.768,45 op 6 februari 2017) meer geld is gaan uitgeven, is gelet op de verkoopopbrengst van de woning aannemelijk. Maar de enkele verklaring dat erflaatster meer geld is gaan uitgeven omdat ze meer te besteden had, is een onvoldoende concrete verklaring van het zeer hoge bestedingspatroon van erflaatster, in aanmerking genomen dat erflaatster ook pinbetalingen verrichtte, zoals in ieder geval voor het tanken, en zij de huur per bank betaalde. Daarbij weegt mee dat het onbegrijpelijk is waarom erflaatster in 2017 nog steeds goedkope sigaretten in Duitsland en België ging kopen, terwijl zij grote geldbedragen opnam. Het had gelet hierop op de weg van [persoon B] gelegen, die erflaatster ondersteunde bij haar financiën, om nader te onderbouwen waarom erflaatster zulke grote pinbedragen opnam. Dit heeft hij niet gedaan.
[persoon B] heeft bijvoorbeeld niet geconcretiseerd welke grote/dure reizen erflaatster dan gemaakt heeft of wat voor soort dure spullen zij dan kocht van het geld. [persoon B] heeft slechts een tweetal bonnen overgelegd van de Mediamarkt waaruit niet volgt dat erflaatster haar geld besteedde aan dure inboedelgoederen. Voorts heeft de verkoop van de goederen van erflaatster na haar overlijden ook slechts € 1.000, - opgeleverd, wat er niet op duidt dat erflaatster in het bezit was van veel dure spullen.
Dat het gepinde geld niet in een keer opgemaakt hoeft te zijn en in een kluis gelegd is, is zonder nadere onderbouwing waar het geld dan later aan is uitgeven evenmin een onvoldoende concrete verklaring. In de jaren na 2017 zijn immers ook grote contante opname verricht (in 2018 € 23.300,-, in 2019 € 28.000, - en in 2020 € 22.900,-) en daarnaast is bij het overlijden van erflaatster maar een zeer klein bedrag aan contant geld aangetroffen. Ook heeft [persoon B] niet onderbouwd waarom erflaatster als zij het geld in de kluis wilde bewaren, dan niet ervoor koos om het geld in een keer op te nemen, in plaats van meerdere opnames per week gedurende een langere periode.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dus van oordeel dat het niet aannemelijk is dat [persoon B] al de gepinde bedragen aan erflaatster heeft afgegeven.
3.15. Vervolgens moet worden vastgesteld welk deel van de gepinde bedragen aan [persoon B] ten goede is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat een bedrag van € 76.500, - aan [persoon B] ten goede moet zijn gekomen. Dit wordt hierna toegelicht.
[persoon B] heeft in dezelfde periode van de pinopnames drie panden gekocht: op 1 december 2016 de garagebox aan de [adres 3] voor € 32.000,-, op 12 oktober 2017 de woning aan de [adres 4] te Leeuwarden voor € 82.500, - en op 3 november 2017 de woning aan de [adres 1] te Naarden voor € 150.000,-. Dit betekent dat [persoon B] voor in totaal € 264.500, - aan onroerend goed heeft gekocht. Volgens [persoon A] heeft [persoon B] , gelet op het groot aantal gepinde bedragen en omdat [persoon B] zelf niet werkt, de onroerende goederen betaald met de in 2017 gepinde bedragen van de bankrekening van erflaatster. Volgens [persoon B] heeft hij voor de aankoop van de onroerende goederen geld geleend van erflaatster (en ook weer terugbetaald) en heeft hij het overige deel gefinancierd met geld dat hij heeft verkregen uit beleggingen.
Uit de processtukken maakt de rechtbank op dat partijen het erover eens zijn dat [persoon B] in totaal € 188.000, - heeft geleend van erflaatster, namelijk € 18.000 op 31 december 2016, € 30.000, - op 6 oktober 2017 en € 140.000, - op 1 november 2017. [persoon B] heeft echter niet onderbouwd hoe hij het overige deel van de door hem gekochte onroerende goederen heeft gefinancierd en ook niet aangeboden om dit te onderbouwen. Nu [persoon B] niet heeft onderbouwd hoe hij de onroerende goederen, op de leningen van erflaatster na, heeft gefinancierd en vaststaat dat [persoon B] pinopnames voor erflaatster verrichtte en een deel van de bedragen aan hem ten goede zijn gekomen, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat het verschil tussen de aankoopbedragen van de onroerende goederen en de leningen, zijnde € 76.500, - (= € 264.500 - € 188.000,-), afkomstig is van de pinbetalingen van erflaatster. Dit betekent dat een bedrag van € 76.500, - dus aan [persoon B] ten goede moet zijn gekomen.
3.16. De rechtbank volgt [persoon A] echter niet in haar standpunt dat dit betekent dat het bedrag van € 76.500, - behoort tot de goederen van de nalatenschap. [persoon A] legt hieraan ten grondslag dat [persoon B] heeft gehandeld met het verbod in de volmacht om als wederpartij van zichzelf op te treden. Niet gebleken is echter dat erflaatster het niet eens was met de pinopnames door [persoon B] . Uit productie 32 volgt juist dat [persoon B] volgens haar de pinopnames in 2017 goed had uitgevoerd. Daarnaast is niet gebleken dat erflaatster in 2017 niet meer compos mentis was. Een verplichting voor [persoon B] om rekening en verantwoording af te leggen was er dan ook niet, zodat [persoon B] op grond daarvan niet tot terugbetaling verplicht kan worden. Daarnaast heeft [persoon A] haar stelling dat er geen rechtsgrond was voor de betalingen ook niet onderbouwd, zodat haar beroep op onrechtmatige daad, onverschuldigde verrijking en onrechtmatige daad ook faalt. Dit betekent dus dat bij de goederen van de nalatenschap geen rekening hoeft te worden gehouden met een bedrag van € 76.500, - dat [persoon B] aan de nalatenschap moet terugbetalen.
3.17. De rechtbank zal het bedrag van € 76.500, - wel aanmerken als gift, omdat het voldoende aannemelijk is dat de pinopnames tot een bedrag van € 76.500, - aan [persoon B] ten goede zijn gekomen met het oogmerk om hem te begunstigen. Dit betekent dus dat het bedrag als in aanmerking te nemen gift aan [persoon B] bij berekening van de legitimaire massa moet worden betrokken.
Gepinde/geïnde bedragen: [adres 1] te Naarden en garagebox [adres 3] € 60.000, - + € 75.600,-
3.18. [persoon A] stelt zich op het standpunt dat [persoon B] voor het pand [adres 1] te Naarden ten onrechte een bedrag van € 60.000, - heeft geïnd van de bankrekening van erflaatster en voor de garagebox aan de [adres 3] ten onrechte een bedrag van € 75.600,-. Volgens [persoon B] heeft hij het pand [adres 1] te Naarden gekocht en vervolgens aan erflaatster verhuurd voor een bedrag van € 2.000, - per maand en heeft hij de garagebox aan de [adres 3] per 1 december 2016 voor € 10.800, - per jaar verhuurd aan erflaatster. Ter onderbouwing hiervan heeft [persoon B] huurovereenkomsten overgelegd. Hoewel [persoon A] niet langer het standpunt inneemt dat deze huurovereenkomsten vervalst zijn, begrijpt de rechtbank dat [persoon A] het standpunt inneemt dat erflaatster heeft gedwaald ten aanzien van de inhoud van de huurovereenkomsten, of dat sprake is van bedrog of misbruik van omstandigheden en dat daarom de geïnde bedragen tot de nalatenschap behoren.
3.19. De rechtbank is van oordeel dat [persoon A] haar beroep op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden onvoldoende heeft onderbouwd. Ten eerste is niet gebleken dat zowel voor de Chopinlaan als de garagebox sprake is geweest van dubbele huurinningen, want uit de toelichting van [persoon B] en de stukken volgt voldoende dat daarvan geen sprake is geweest. Erflaatster betaalde de huur voor een heel jaar vooruit, waardoor sprake is geweest van het overboeken van grotere bedragen ineens. Voorts zien de opzeggingen waar [persoon A] een beroep op doet ten aanzien van de garagebox niet op opzeggingen door erflaatster, maar op opzeggingen van [persoon A] zelf, want in de aanhef staat "Geachte mevrouw [persoon A] ", zodat daarom ook geen sprake kan zijn van het innen van dubbele huur. Dat erflaatster meer woonlasten dan gebruikelijk betaalde voor de woning aan de [adres 1] , is door [persoon A] onvoldoende onderbouwd met haar enkele verwijzing naar de huurprijs van een appartement aan de [adres 5] . Volgens [persoon B] was namelijk sprake van een all-in huurprijs. Wat de garagebox betreft heeft [persoon A] nog gesteld dat de huurprijs van € 10.800, - per jaar een sterk afwijkende huurprijs is. Gelet echter op de toelichting van [persoon B] dat het ging om een garagebox van 53 m², had [persoon A] haar stelling nader moeten onderbouwen, maar dat heeft ze niet gedaan.
3.20. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat [persoon A] niet gevolgd kan worden in haar stelling dat sprake is van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Dit betekent dat niet geoordeeld kan worden dat [persoon B] ten aanzien van de [adres 1] een bedrag van € 60.000, - zonder rechtsgrond heeft geïnd en dat [persoon B] ten aanzien van de garagebox een bedrag van € 75.600, - ten onrechte heeft geïnd.
Stageld caravanpark Recrenova € 7.430, - en caravan € 25.637,-
3.21. Volgens [persoon A] heeft [persoon B] een toercaravan ter waarde van € 25.673, - van erflaatster geschonken gekregen in 2015/2016, zodat dit bedrag moet worden meegenomen bij de berekening van de legitieme portie. Daarnaast volgt volgens [persoon A] uit de bankafschriften van erflaatster dat er in 2018 tot en met 2020 geld is overgemaakt naar Caravanpark Recrenova, zodat dit bedrag van € 7.430, - ook bij de berekening van de legitieme portie moet worden meegenomen.
[persoon B] betwist echter dat hij een toercaravan van erflaatster gekregen heeft, want volgens [persoon B] is de caravan van zijn vriendin en is deze niet door erflaatster betaald. [persoon B] erkent wel dat erflaatster meerdere keren het stageld heeft betaald, maar dit was volgens [persoon B] geen gift, omdat erflaatster er regelmatig zelf verbleef.
3.22. De rechtbank is van oordeel dat wat betreft de caravan het gelet op de betwisting van [persoon B] dat het zijn caravan was en deze door erflaatster is betaald, op de weg van [persoon A] had gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dit heeft ze echter niet gedaan. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de waarde van de caravan behoort tot de legitimaire massa.
3.23. De rechtbank is voorts van oordeel dat [persoon B] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij
en zijn vriendin door de betalingen van het stageld door erflaatster niet zijn begunstigd. Zij hoefden immers zelf het stageld niet meer te betalen, terwijl [persoon B] niet heeft gesteld dat hij en zijn vriendin zelf niet in de caravan verbleven. Tijdens de zitting heeft [persoon B] namelijk gezegd dat erflaatster vaak bij hem en zijn vriendin in de caravan verbleef. [persoon B] heeft daarom onvoldoende weersproken dat betaling van het stageld niet is aan te merken als gift aan hem en zijn vriendin. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bedrag van € 7.430, - in de berekening van de legitimaire massa moet worden betrokken als in aanmerking te nemen gift.
Leningen aan Double Business Travel/overboekingen + rente € 23.226,-
3.24. [persoon A] stelt dat uit de bankafschriften volgt dat in 2018 zonder rechtsgrond € 1.826,30 is overgemaakt aan Double Business Travel (het bedrijf van de vriendin van [persoon B] ) en dat Double Business Travel de leningen van erflaatster ten bedrage van € 12.000,-, € 2.200, - en € 7.200, - met rente niet heeft terugbetaald. Tijdens de zitting heeft [persoon A] hieraan toegevoegd dat ook een lening van € 7.000, - niet is terugbetaald door Double Business Travel.
3.25. De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen de bankafschriften door gelopen en met partijen vastgesteld dat de leningen zijn terugbetaald door Double Business Travel. Deze bedragen hoeven dus niet te worden betrokken bij de berekening van de legitieme portie. Alleen het bedrag van € 1.826,30 staat nog open. Dit bedrag ziet volgens [persoon B] op de betaling van een factuur voor een reis die erflaatster bij Double Business Travel had geboekt. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van [persoon A] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen dat dit niet het geval is geweest. Dat heeft ze niet gedaan. Dit betekent dat dit bedrag ook niet wordt betrokken bij het berekenen van de legitieme portie.
Schenking Markerkant € 15.500,-
3.26. Volgens [persoon A] heeft erflaatster aan [persoon B] een gift verstrekt van € 15.500,-, omdat [persoon B] de garagebox aan de [adres 3] voor een bedrag van € 32.000, - heeft gekocht van erflaatster, terwijl de verkoopwaarde van de andere opslag € 47.500, - was. [persoon B] betwist echter dat sprake is van een gift, omdat de staat van de [adres 3] buitengewoon slecht was, dit in tegenstelling tot [adres 6] dat in goede staat verkeerde. Ter onderbouwing heeft [persoon B] een paar foto's overgelegd. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [persoon A] gelegen om nader te onderbouwen dat de [adres 3] voor een lager bedrag aan [persoon B] is verkocht dan de marktwaarde. Dit heeft [persoon A] echter niet gedaan. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een gift en het bedrag van € 15.500, - niet bij de berekening van de legitieme portie betrokken wordt.
Tussenconclusie met betrekking tot de bedragen die volgens [persoon A] moeten worden meegenomen
3.27. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan [persoon A] alleen worden gevolgd in haar standpunt dat bij de berekening van de legitimaire massa en de legitieme portie, naast waar partijen het al over eens zijn, bij de giften nog een bedrag van € 76.500, - door [persoon B] gepinde bedragen moet worden betrokken en een bedrag van € 7.430, - aan stageld.
Vordering van erflaatster op [persoon A] (tevens reconventionele vordering)
3.28. Volgens [persoon B] behoort tot de goederen van de nalatenschap tevens een vordering van erflaatster op [persoon A] . Deze vordering bedraagt € 21.600, - aan hoofdsom en € 6.245,24 aan rente berekend tot 14 april 2025 (totaal: € 27.845,24). [persoon B] vordert daarom in reconventie dat [persoon A] veroordeeld wordt om het bedrag van € 21.600, - met rente te betalen.
3.29. [persoon B] legt aan zijn reconventionele vordering ten grondslag dat [persoon A] in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2016 van erflaatster de garagebox aan de [adres 3] huurde voor een bedrag van € 900, - per maand en dat nog een bedrag van € 21.600, - aan huur openstaat. Ter onderbouwing hiervan heeft [persoon B] drie sommatiebrieven van erflaatster aan [persoon A] (productie 24 van [persoon B] ) overgelegd en gewezen op de aangifte inkomstenbelasting 2023 (productie 27 van [persoon B] ) waarin de vordering is opgenomen. Tijdens de zitting heeft [persoon B] nog toegelicht dat [persoon A] de garagebox had gehuurd van erflaatster, omdat [persoon A] haar huis had verkocht en haar spullen in deze garagebox had opgeslagen. De huur die [persoon A] betaalde voor de garagebox is volgens [persoon B] even hoog als de huur die erflaatster later is gaan betalen voor de garagebox.
3.30. [persoon A] betwist dat zij een huurovereenkomst met erflaatster heeft gesloten en dat zij de door [persoon B] overgelegde sommatiebrieven van erflaatster heeft ontvangen. De informatie die is opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting 2023 is volgens [persoon A] door [persoon B] aan de boekhouder gegeven en vormt daarom geen bewijs van het bestaan van de huurovereenkomst. Volgens [persoon A] heeft ze wel een deel van de garagebox gebruikt, maar hoefde ze hier geen huur voor te betalen. Daarnaast stelt [persoon A] dat een huur van € 900, - per maand gelet op de waarde van de garagebox veel te hoog is en niet marktconform.
3.31. De rechtbank is van oordeel dat [persoon B] zijn stelling dat er een huurovereenkomst heeft bestaan tussen erflaatster en [persoon A] met betrekking tot de garagebox aan de [adres 3] in de periode van 1 oktober 2014 en 30 september 2016 voldoende heeft onderbouwd, maar dat [persoon A] het bestaan van de huurovereenkomst ook voldoende gemotiveerd heeft betwist. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld of sprake is geweest van een huurovereenkomst tussen erflaatster en [persoon A] . Volgens de wet (artikel 150 Rv) rust de bewijslast op [persoon B] , omdat hij zich beroept op het rechtsgevolg van de huurovereenkomst. [persoon B] wordt daarom overeenkomstig zijn bewijsopdracht toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit volgt dat tussen erflaatster en [persoon A] een huurovereenkomst heeft bestaan met betrekking tot de garagebox aan de [adres 3] in de periode van 1 oktober 2014 en 30 september 2016 en dat een huurprijs van € 900, - per maand is overeengekomen. Als [persoon B] slaagt in dit bewijs, dan heeft dit tot gevolg dat de vordering van [persoon B] komt vast te staan, omdat [persoon A] niet betwist dat zij het bedrag van € 21.600, - niet heeft betaald aan erflaatster.
Vervolgprocedure
3.32. [persoon B] wordt gelet op wat hiervoor is overwogen tot bewijslevering toegelaten. Omdat de uitkomst hiervan ook van belang is voor de berekening van de legitimaire massa en legitieme portie kunnen deze op dit moment nog niet worden vastgesteld. Iedere verdere beslissing wordt daarom aangehouden. Het staat partijen vrij om met in achtneming van wat hiervoor is overwogen met elkaar in overleg te treden over het bedrag aan legitieme portie waar [persoon A] recht op heeft. [persoon B] kan gelet op wat hiervoor is overwogen niet worden gevolgd in zijn standpunt dat [persoon A] na verrekening juist een bedrag aan [persoon B] moet betalen. [persoon B] zal dus een bedrag aan [persoon A] moeten betalen, maar het is nu nog de vraag welk bedrag. Als partijen voor hun overleg meer tijd nodig hebben, dan kunnen zij om een aanhouding van de zaak vragen.

4 De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie:
4.1. draagt [persoon B] op om te bewijzen dat tussen erflaatster en [persoon A] een huurovereenkomst heeft bestaan met betrekking tot de garagebox aan de [adres 3] in de periode van 1 oktober 2014 en 30 september 2016 en dat een huurprijs van € 900, - per maand is overeengekomen;
schriftelijk bewijs
4.2. bepaalt dat als [persoon B] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs op de woensdag 29 oktober 2025moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
4.3. bepaalt dat als [persoon B] getuigen wil laten horen, hij uiterlijk op woensdag 29 oktober 2025 het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026;
4.4. wijst erop dat [persoon B] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
4.5. bepaalt dat als [persoon B] op een andere manier bewijs wil leveren, [persoon B] uiterlijk op woensdag 29 oktober 2025 aan de rechtbank moet laten weten hoe;
4.6. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
3120