Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14804 - Rechtbank Rotterdam - 28 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1480428 november 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708604 / JE RK 25-2143
Datum uitspraak: 28 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.C. Frederiks, kantoorhoudende te Zwijndrecht,
[gezinshuisvader] en [gezinshuismoeder] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders, wonend in [woonplaats 2] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 november 2025. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI), [persoon B] ; - de gezinshuismoeder.
1.3. Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Chinees-Kantonees, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van P.N. Kuiper, tolk in de taal Chinees-Kantonees. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4. De gezinshuisvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de gezinshuisvader wel juist is opgeroepen.
1.5. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige]
2.2. [voornaam minderjarige] verblijft in een perspectief biedend gezinshuis.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinshuis te verlenen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het – onder verwijzing van het verzoekschrift - als volgt toe. Voor [voornaam minderjarige] waren eerder al een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken. In 2023 is [voornaam minderjarige] weer bij de ouders teruggeplaatst, maar dit is niet positief verlopen. [voornaam minderjarige] is vervolgens weer via een machtiging tot uithuisplaatsing in het gezinshuis geplaatst, waar hij sindsdien verblijft en waar hij zich positief ontwikkelt. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] zijn in maart 2025 door een administratieve fout verlopen, wat voor veel verwarring bij de ouders zorgt. Zij begrijpen dat [voornaam minderjarige] op dit moment in het gezinshuis moet verblijven, maar willen tegelijkertijd graag dat hij weer bij hen thuis komt wonen. De ouders zijn liefdevolle ouders, maar het lukt hen op dit moment niet om zelfstandig voor [voornaam minderjarige] te zorgen. Het is van belang dat opnieuw een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] worden uitgesproken, zodat het verblijf van [voornaam minderjarige] in het gezinshuis kan worden gecontinueerd en een jeugdbeschermer betrokken blijft die de regie en het contact met de ouders onderhoudt.

4 De standpunten

4.1. De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Op dit moment lijkt iedereen het eens te zijn met de continuering van het verblijf van [voornaam minderjarige] in het gezinshuis en de inzet van hulpverlening voor [voornaam minderjarige] In dat kader lijkt een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig. Het perspectief van [voornaam minderjarige] is voor de ouders echter niet duidelijk, wat in de toekomst voor frictie kan zorgen. Een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] kan hierin helpend zijn.
4.2. Door en namens de ouders wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De ouders stemmen in met de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar, maar willen wel dat het doel blijft om te werken aan een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de ouders. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing kunnen telkens maximaal voor een jaar worden verleend en/of verlengd, wat de mogelijkheid creëert voor een tussentijds toetsmoment. Iedere zondag vindt omgang plaats tussen de ouders en [voornaam minderjarige] De ouders zouden graag willen dat deze omgang wordt uitgebreid naar feestdagen en logeermomenten in het weekend. Dit is besproken met de vorige vaste jeugdbeschermer, maar zij is niet meer betrokken. Ook willen de ouders dat voor [voornaam minderjarige] passende hulpverlening (zoals therapie) wordt ingezet. Hij heeft geen sociale contacten en is erg in zichzelf gekeerd. [voornaam minderjarige] heeft een slechte ervaring met de inzet van hulpverlening, dus het is belangrijk dat hier extra aandacht voor is.
4.3. De gezinshuismoeder brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat zij de zorgen van de moeder om [voornaam minderjarige] herkent en dat het inderdaad belangrijk is dat voor hem passende hulpverlening wordt ingezet. Door het verlopen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is dit helaas nog niet gelukt. De aanvraag voor de inzet van hulpverlening moet nu weer opnieuw worden gedaan.

5 De beoordeling

5.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat eerder een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] liepen, omdat er zorgen bestonden om het welzijn en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de ouders. In 2023 is [voornaam minderjarige] bij de ouders teruggeplaatst, maar dit is niet positief verlopen, waardoor opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] is uitgesproken. [voornaam minderjarige] verblijft inmiddels alweer een langere tijd in het gezinshuis, waar het overwegend goed met hem gaat.
5.2. Hoewel de ouders veel van [voornaam minderjarige] houden en het beste met hem voorhebben, is op dit moment niet duidelijk of, wanneer en op welke manier een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de ouders mogelijk is. Het is van belang dat voor [voornaam minderjarige] eerst passende hulpverlening wordt ingezet en dat wordt gefocust op de verdere opbouw van de omgang tussen de ouders en [voornaam minderjarige]
5.3. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] zijn in maart 2025 door een administratieve fout verlopen, wat voor veel verwarring zorgt bij de ouders. Zij begrijpen dat [voornaam minderjarige] op dit moment het beste in het gezinshuis kan verblijven, maar willen tegelijkertijd het liefste dat hij weer bij hen wordt teruggeplaatst. De inzet van hulpverlening en een plaatsing van [voornaam minderjarige] in het gezinshuis binnen het vrijwillig kader is daarom niet houdbaar. Een nieuwe ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] is nodig, om voor [voornaam minderjarige] passende hulpverlening in te zetten, om zijn verblijf in het gezinshuis te waarborgen en om voor de ouders een tussentijds - in ieder geval jaarlijks - toetsmoment te creëren.
5.4. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[2] De kinderrechter zal [voornaam minderjarige] daarom onder toezicht stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlenen voor de duur van een jaar.
5.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:
6.1. stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 28 november 2025 tot 28 november 2026;
6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 28 november 2025 tot 28 november 2026;
6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.