Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14754 - Rechtbank Rotterdam - 10 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14754•10 december 2025
Uitspraak inhoud
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 18 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
Mevrouw mr. H.T.M. Blikman, werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een overzicht van de openstaande betalingsachterstand toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
3 Het verweer
Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat de huurachterstand reeds binnen één maand na het ingaan van de huurovereenkomst is ontstaan. Sinds 2022 is verweerster met verzoekster in gesprek over de oplopende achterstanden en zijn meerdere aanmeldingen voor hulpverlening gedaan. De meest recente poging, in januari van dit jaar, heeft echter niet tot resultaat geleid, omdat verzoekster toen aangaf geen ondersteuning van het wijkteam te wensen. Verweerster benadrukt dat het van belang is dat verzoekster daadwerkelijk stappen zet om de huurachterstand af te lossen. Indien verzoekster bereid is dergelijke actie te ondernemen, refereert verweerster zich aan het oordeel van de rechtbank.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 20 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 8 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft op 22 september 2025 de huur voor oktober 2025 tijdig voldaan. De huur voor november 2025 is weliswaar te laat betaald, maar de huur voor december 2025 is vervolgens weer volledig en tijdig voldaan. Daarnaast heeft verzoekster toegelicht dat zij inmiddels beschikt over vaste opdrachtgevers voor haar onderneming. De eerdere betalingsachterstanden hielden verband met het feit dat zij destijds per vier weken werd uitbetaald en hierdoor soms op inkomsten moest wachten. Verzoekster ontvangt thans wekelijks haar betalingen, waardoor het inkomen regelmatiger is geworden. Hiermee is voldoende aannemelijk dat zij in staat is de lopende huurtermijnen voortaan tijdig te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verzoekster, mede gelet op haar ondernemersactiviteiten, zorg draagt voor een volledige en inzichtelijke administratie. Het minnelijk traject en de beoordeling van haar financiële mogelijkheden zijn slechts uitvoerbaar wanneer verzoekster haar administratie op orde heeft en houdt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verzoekster er nauwgezet op toeziet dat haar bedrijfsadministratie volledig, actueel en controleerbaar blijft gedurende de looptijd van de voorziening en het schuldhulpverleningstraject.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 8 oktober 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 18 november 2025; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.