Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14712 - Rechtbank Rotterdam - 8 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14712•8 december 2025
Uitspraak inhoud
Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-064771-25
Datum uitspraak: 8 december 2025
Datum zitting: 24 november 2025
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] zonder vaste woon - of verblijfplaats.
Advocaat van de verdachte: mr. M. Sculic
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van betrokkenheid bij een beschieting van een kantoorpand.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen op het (kantoor)pand (gevestigd aan de [adres delict] ) van die [slachtoffer] te schieten;
1 subsidiair.
[medeverdachte 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen op het (kantoor)pand (gevestigd aan de [adres delict] ) van die [slachtoffer] te schieten bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 t/m 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/ofinlichtingen heeft verschaft, door - voornoemde [medeverdachte 1] op te halen en/of - voornoemde [medeverdachte 1] te vervoeren naar de plek waar die [medeverdachte 1] een (vuur)wapenheeft opgehaald en/of - voornoemde [medeverdachte 1] (vervolgens) te vervoeren naar het pand aan de [adres delict] ;*2 primair.*hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (delen van) een (kantoor)pand gevestigd aan de [adres delict] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of onklaar gemaakt;
2 subsidiair.
[medeverdachte 1] en/of een of meerdere onbekend gebleven personenop of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (delen van) een (kantoor)pand gevestigd aan de [adres delict] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft/hebben vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of onklaar gemaakt bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 t/m 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door - voornoemde [medeverdachte 1] op te halen en/of - voornoemde [medeverdachte 1] te vervoeren naar de plek waar die [medeverdachte 1] een (vuur)wapen heeft opgehaald en/of - voornoemde [medeverdachte 1] (vervolgens) naar het pand aan de [adres delict] te vervoeren;
3.hij op of omstreeks 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II of III van de Wet wapens en munitie en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie II of III voorhanden heeft gehad.
2 Bewijs
2.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
2.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor de feiten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat sprake is van medeplichtigheid. Het standpunt van de verdediging zal bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3. Oordeel van de rechtbank
2.3.1. Bewezenverklaring
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte:
1 primair.
op 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door meermalen, met een (vuur)wapen op het pand (gevestigd aan de [adres delict] ) van die [slachtoffer] te schieten;
2 primair.
op 2 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een pand gevestigd aan de [adres delict] , dat aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft beschadigd;
3.op 2 maart 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III van de Wet wapens en munitie en bijbehorende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III voorhanden heeft gehad.
2.3.2. Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[1] en de onderstaande bewijsmotivering.
- Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever
[2] Op 2 maart 2025 was ik in mijn zaak gelegen aan de [adres delict] te Rotterdam.Ik had alle lichten uitstaan, alleen het licht van het scherm van mijn telefoon was aan. Ik was ongeveer 5 minuten in het pand toen ik ineens harde klappen hoorde bij de voordeur. Ik ging vervolgens kijken bij de voordeur van het pand. Ik deed de deur open en ik rook meteen een vuurwerklucht.
Er zitten 5 gaten in het raam. Binnen hebben de kogels het systeemplafond, de muur en een handgemaakte houten design wandplank geraakt.
- Verklaring bij de politie van de medeverdachte [medeverdachte 1]
[3]
V: Jij krijgt de klus maar je moet vervoer hebben. Hoe heb je dit geregeld?
A: Via [voornaam medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]). Ik heb hem geappt en toen we samen waren heb ik hem verteld wat er moest gebeuren. Hij wist van te voren wat het plan was en dat een pand beschoten moest worden. Hij reageerde hier normaal op en vond het plan prima. In de auto vertelde ik dat we naar Rotterdam moesten.
- Proces-verbaal van de politie
[4]
Bij de aanhouding van [medeverdachte 2] werd zijn mobiele telefoon in beslag genomen. De data van dit toestel werd veiliggesteld, uitgelezen en ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam.
In het toestel werden meerdere gebruikersaccounts aangetroffen welke refereerde naar [medeverdachte 2] . Daarnaast werden er meerdere zogeheten "selfies" fotografisch opnames aangetroffen van [medeverdachte 2] zelf.
In de uitgelezen data zag ik een gesprek tussen [medeverdachte 2] en een persoon die in het toestel opgeslagen stond als [naam] met telefoonnummer [gsm-nummer] . Na onderzoek bleek dat [naam] genaamd was: [naam] [medeverdachte 1] .
Het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] startte op 1 maart 2025. Samenvattend werd er het volgende in het gesprek gezegd:
[medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij 750 euro wil verdienen. [medeverdachte 2] moet dan [medeverdachte 1] naar Amsterdam rijden vervolgens naar Hoofddorp en daarna weer naar Amsterdam. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij geen rijbewijs meer heeft en dat als hij gepakt wordt hij de auto kwijt is, maar dat hij dat niet erg vindt. Hierna vraagt [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] een zwarte regenjas heeft en of hij die mee kan nemen. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij er een meeneemt. Vervolgens wordt er overlegd waar [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] moet ophalen. Ze komen erop uit dat het ophaalpunt de lkea wordt bij treinstation Haarlem Spaarnwoude. Zie foto 3 tot en met foto 7.
[ Afbeelding met hierin gesprek tussen verdachte en medeverdachte en hun accountnamen ]
In de uitgelezen data zag ik een video-opname. Daarop was een persoon te zien welke met een revolver op een pand schiet. Het pand waarop geschoten wordt herken ik als het bedrijfspand aan de [adres delict] in Rotterdam. Dit is ook het pand waar op 2 maart 2025 op geschoten is. Zie foto 9 en 10.
- Proces-verbaal van de politie
[5]
Wij zagen bij aankomst op de plaats delict, 5 schotbeschadigingen op de ruit. De beschadigingen bestonden uit concentrische en radiale breuklijnen van het glas en hierdoor herkende wij als zijnde schotbeschadigingen*.*
Wij zagen dat de ruit waarin de schotbeschadigingen aanwezig waren, tegenover een
muur gelegen was. Wij zagen dat er een beschadigd projectiel in de muur was blijven
steken.
Wij zagen onder het raam met de schotbeschadigingen, diverse dozen staan. Wij zagen in 1 van deze dozen, een beschadigd projectiel.
Wij zagen op één van deze planken, een beschadigd projectiel. Onder het bureau zagen wij een beschadigd projectiel.
2.3.3. Bewijsmotivering
Wetenschap verdachte
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap van het schietincident heeft gehad. De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] is volgens de verdediging onbetrouwbaar.
De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu deze op geen enkele manier door feiten of omstandigheden wordt ondersteund. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte van meet af aan op de hoogte is geweest van het aanstaande schietincident. Dat heeft hij ook al bij de politie verklaard. Zijn verklaring wordt ondersteund door de aangetroffen chatberichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Daarin wordt door [medeverdachte 1] aan de verdachte gevraagd of hij € 750,- - wil verdienen voor een nachtelijke rit van Amsterdam naar Hoofddorp en weer naar Amsterdam. Hij krijgt daarbij de instructie om een zwarte regenjas mee te nemen voor zijn medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze heeft verklaard dat de verdachte deze regenjas daadwerkelijk heeft meegenomen. Daarna hebben de verdachte en [medeverdachte 1] samen het vuurwapen opgehaald in Amsterdam en zijn zij vervolgens doorgereden naar Rotterdam. In Rotterdam heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] met een vuurwapen vijf keer door het raam van het bedrijfspand gelegen aan de [adres delict] in Rotterdam geschoten. Het schietincident is door [medeverdachte 1] gefilmd en deze video is later ook op telefoon van de verdachte aangetroffen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het schietincident.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] , nu deze op belangrijke punten ondersteund wordt door de aangetroffen chatgesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Daarbij komt dat [medeverdachte 1] op de zitting zichzelf en zijn eigen rol in het geheel niet heeft gespaard hetgeen voor de rechtbank bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.
Medeplegen
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking omdat de verdachte alleen in de auto gezeten.
Medeplegen van een strafbaar feit kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is geweest. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan wel van voldoende gewicht moeten zijn.
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] het vuurwapen opgehaald in Amsterdam, waarna zij samen naar Rotterdam zijn gereden om het schietincident plaats te laten vinden. Daarna heeft de verdachte samen met [medeverdachte 1] het vuurwapen weer naar Amsterdam teruggebracht en heeft hij [medeverdachte 1] vervolgens thuisgebracht. De verdachte was dus de vervoerder van zowel de schutter als het gebruikte vuurwapen. Hij is in de uitvoering van de schietpartij een onmisbare schakel geweest. Daarbij heeft de verdachte ook een zwarte regenjas aan [medeverdachte 1] geleverd, die door [medeverdachte 1] gebruikt is om tijdens de beschieting in de nachtelijke uren minder zichtbaar te zijn. Daarmee heeft de verdachte een essentiële bijdrage geleverd aan de beschieting en heeft hij ook de feitelijke macht over het vuurwapen kunnen uitoefenen, in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerkingen tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde, mede vanwege het essentiële karakter daarvan, van zodanig gewicht dat het gaat om medeplegen.
De verdachte heeft zich dan ook samen met anderen schuldig gemaakt aan de beschieting van het pand en het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie.
Vuurwapen en bijbehorende munitie (feit 3)
In het dossier zit geen proces-verbaal waarin onderzoek naar het vuurwapen of de munitie is gerelateerd. Ten aanzien van het vuurwapen is dat begrijpelijk, dit is immers niet meer aangetroffen. Maar ten aanzien van de munitie geldt dat dit onderzocht had kunnen worden en wellicht ook is onderzocht, maar het proces-verbaal met vaststelling welk soort munitie het betreft, zit niet in het dossier. Dat laat onverlet dat uit het proces-verbaal van de Forensische Opsporing met de bevindingen ter plaatse in het pand van de aangever, kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van vijf kogelgaten en vijf afgevuurde projectielen. Ook blijkt uit de foto´s van de schietende hand van de verdachte [medeverdachte 1] dat sprake was van een vuurwapen. De kogelgaten, verschoten projectielen en het zichtbare deel van het vuurwapen, rechtvaardigen de conclusie dat het gegaan is om een vuurwapen van de 3e categorie. De rechtbank acht dit dan ook bewezen. Kwalificatie en strafbaarheid
2.4. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
de eendaadse samenloop van:
Feit 1 primair
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;
Feit 2 primair
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
Feit 3
de eendaadse samenloop van:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
2.5. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
3 Straf
3.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
3.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een schokkend feit, waarbij met een vuurwapen op een bedrijfspand is geschoten. Op het moment van de beschieting was de gebruiker van het kantoorpand in het pand aanwezig.
Het beschieten van een pand is een indringende en intimiderende bedreiging, waarbij in dit geval van geluk mag worden gesproken dat er geen slachtoffers zijn gevallen. Dergelijke schietincidenten vinden regelmatig plaats in Rotterdam en veroorzaken niet alleen direct gevaar, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft hierbij een onmisbare rol gehad. Zonder de verdachte waren de schutter en het gebruikte wapen immers niet van Amsterdam naar Rotterdam gekomen en weer terug. Ook heeft de verdachte de schutter van een zwarte regenjas voorzien om minder zichtbaar te zijn. De verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen van de beschieting, maar enkel gedacht aan zijn eigen geldelijke gewin. Volgens de verklaring van de medeverdachte zou de verdachte voor deze klus 750 euro verdienen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
3.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 24 oktober 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2025 staat onder meer het volgende.
De reclassering heeft niet met de verdachte in contact kunnen komen. Het rapport is daarom zonder medewerking van de verdachte opgesteld op basis van dossier - en politie-informatie.
Gelet op de ontkennende proceshouding kan de reclassering niet tot een delictanalyse komen of criminogene factoren vaststellen. De verdachte is in het verleden vaker met politie en justitie in aanraking gekomen en tot op heden zijn er nog regelmatig meldingen over hem bij de politie. Dit gaat met name om verkeersdelicten. De reclassering ziet op dit moment geen delictpatroon ten aanzien van geweldsfeiten. De reclassering kan een negatief sociaal netwerk niet uitsluiten omdat de medeverdachte een bekende van hem is. De verdachte beschikt volgens zijn politieverhoor over stabiele huisvesting, een vaste dagbesteding en inkomen.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De raadsman heeft namens de verdachte verklaard dat de verdachte sinds kort minder werk heeft en daarom vanwege geldgebrek niet kon verschijnen op de zitting.
3.3.3. Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank ziet gelet op de inhoudt van het reclasseringsadvies geen aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Gelet hierop legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Deze straf is hoger dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. Dat heeft te maken met de ernst van de feiten en met de omstandigheid dat geen voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd. Wanneer rekening wordt gehouden met een voorwaardelijke invrijheidsstelling na tenuitvoerlegging van twee derde van de straf, komt de verdachte – net als bij de straf die de officier van justitie heeft gevorderd - na 16 maanden vrij.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
4 Voorlopige hechtenis
De rechtbank beveelt ambtshalve de gevangenneming van de verdachte ter terechtzitting. Er bestaan ernstige bezwaren voor zijn betrokkenheid bij drie strafbare feiten waarvoor hij bij gelijk vonnis door de rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank acht de vrees voor herhaling aanwezig nu er sprake is van een verdachte die de feiten uitsluitend vanuit financiële motieven heeft gepleegd en zich niet bekommerd om de gevolgen daarvan. Ter zitting is duidelijk geworden dat de financiële positie van de verdachte is verslechterd. Bovendien heeft de reclassering gerapporteerd dat zij geen mogelijkheden zien met een toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
De rechtbank acht om die redenen het gevaar op herhaling van soortgelijke of andere financieel gedreven delicten hoog en zal daarom de gevangenneming van de verdachte bevelen.
Het bevel gevangenneming is in een aparte beslissing geminuteerd.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 47, 57, 285 en 352 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
6 Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals hiervoor is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
beveelt de gevangenneming van de verdachte (welk bevel afzonderlijk is geminuteerd).
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. N.R. Rietveld en G.C. Bos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 december 2025.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.
Pagina 25 e.v. van het zaaksdossier Kleijn.
Pagina 114 van het zaaksdossier Kleijn.
Pagina 69 e.v. van het zaaksdossier Kleijn.
Forensisch onderzoek plaats delict (losbladig). - - - ## Voetnoten