Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14631 - Rechtbank Rotterdam - 4 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:146314 december 2025

Uitspraak inhoud

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11710198 CV EXPL 25-2121
datum uitspraak: 4 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Dordrecht,
zetelplaats: Dordrecht,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.C. Hol,
tegen

1. [gedaagde 1] , en

2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. B. el Ouath.
De partijen worden hierna 'de Gemeente', ' [gedaagde 1] ' en ' [gedaagde 2] ' genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk ' [gedaagde 1] c.s.' genoemd.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de e-mail van 13 oktober 2025 van [gedaagde 1] c.s., met bijlage;
1.2. Op 3 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1. [gedaagde 1] huurt vanaf 15 augustus 2012 een standplaats en woonwagen op een woonwagenkamp van de gemeente Dordrecht. [gedaagde 2] is de partner van [gedaagde 1] en woont sinds 2016 bij hem. Zij hebben samen honden. De gemeente eist dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en dat [gedaagde 1] c.s. het gehuurde verlaten. De reden daarvoor is dat [gedaagde 1] en zijn honden volgens de Gemeente het gehuurde vervuilen en de honden geluidsoverlast veroorzaken. [gedaagde 1] c.s. zijn het hier niet mee eens. De kantonrechter ontbindt desondanks de huurovereenkomst en oordeelt dat zij het gehuurde moeten verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde 1] heeft zich niet als goed huurder gedragen
2.2. [gedaagde 1] moet zich op grond van de wet als goed huurder gedragen (artikel 7:213 BW). Dat betekent onder andere dat hij geen overlast aan omwonenden mag veroorzaken en het gehuurde niet mag (laten) vervuilen. In de Algemene huurvoorwaarden die van toepassing zijn op de huurovereenkomst staat dit ook. [gedaagde 1] is tekortgeschoten in het nakomen van deze verplichtingen.
2.3. De overlast in de vorm van vervuiling van de standplaats speelt al heel lang. [gedaagde 1] c.s. betwisten dat niet en de Gemeente heeft dat uitgebreid onderbouwd met brieven vanaf 2013 waarin [gedaagde 1] erop wordt aangesproken dat de standplaats vol ligt met hondenpoep en vanaf 2016 ook met grofvuil. De Gemeente heeft ook veel foto's overgelegd waaruit dit blijkt. Vanaf 2024 spelen de blaffende honden van [gedaagde 1] c.s. een centrale rol in de overlastmeldingen van omwonenden. Omwonenden klagen bij de Gemeente geregeld over de blaffende en huilende honden van [gedaagde 1] c.s. Weliswaar wijzen [gedaagde 1] c.s. erop dat er nog veel meer honden in de omgeving zijn die de overlast veroorzaakt kunnen hebben, maar de Gemeente heeft met de vele meldingen die specifiek gericht zijn op de honden van [gedaagde 1] c.s. voldoende onderbouwd dat het hun honden zijn die de geluidsoverlast veroorzaken. [gedaagde 1] betwisten bovendien niet dat medewerkers van de beheerder meermaals het agressieve en luide geblaf van de honden van [gedaagde 1] c.s. hebben gehoord toen zij aanwezig waren in het woonwagenkamp. Ook staat vast dat [gedaagde 1] omwonenden die over zijn honden klagen heeft bedreigd, onder andere in dit bericht dat [gedaagde 1] op 13 juli 2024 Facebook heeft geplaatst:
"Als ze me honden in beslag gaan nemen door jullie geouwehoer breekt de pleuris uit.
Dan ga ik oorlog voeren.
Dan krijgen jullie een hele andere kant van mij te zien die ik niet wilt laten zien.
Dit is geen dreigement maar een belofte.
Niemand pak me kinderen af.
K teken vrijwillig 10 jaar gevangenisstraf ervoor.
Dus denk na. Je heb me mee of je heb me tegen.
Die keuze is aan jullie."
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4. Alleen bij een voldoende ernstige tekortkoming mag de kantonrechter de huurovereenkomst ontbinden (artikel 6:265 lid 1 BW). Alle omstandigheden van het geval wegen daarbij mee.[1] De huurovereenkomst wordt ontbonden. De overlast die vanuit het gehuurde veroorzaakt wordt, duurt niet alleen al heel lang, maar is ook ernstig genoeg om tot ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Met name de voortdurende stankoverlast die veroorzaakt wordt door de uitwerpselen van de honden, de geluidsoverlast door het blaffen van de honden en de bedreigingen die [gedaagde 1] heeft geuit, wegen mee bij het oordeel dat de huurovereenkomst ontbonden moet worden.
2.5. Daarbij komt dat de Gemeente al veel pogingen heeft ondernomen om de overlast te doen stoppen en hulp te bieden aan [gedaagde 1] c.s., maar de overlast niet is gestopt, ondanks dat [gedaagde 1] c.s. naar eigen zeggen erg hun best doen om de situatie te verbeteren. Van doorslaggevend belang is dat de Gemeente in oktober 2024 een laatste kans heeft gegeven aan [gedaagde 1] in de vorm van een gedragsaanwijzing die inhield dat [gedaagde 1] geen geluids - en stankoverlast mocht veroorzaken, dat de standplaats opgeruimd en schoon moest zijn en dat hij geen mensen meer mochten bedreigen. [gedaagde 1] is daarmee akkoord gegaan, maar de Gemeente heeft voldoende onderbouwd dat hij zich niet aan de gedragsaanwijzing heeft gehouden. Uit foto's die de Gemeente op verschillende momenten vanaf oktober 2024 en ook tijdens deze procedure heeft gemaakt, blijkt dat op de standplaats voortdurend veel hondenpoep ligt. Ook zijn er opnieuw meldingen binnengekomen van omwonenden die klagen over geluidsoverlast door de honden van [gedaagde 1] c.s. en heeft een omwonende gemeld dat zij is bedreigd door [gedaagde 1] . Dit alles hebben [gedaagde 1] c.s. niet weersproken en staat dus vast.
2.6. De Gemeente heeft als verhuurder belang bij de leefbaarheid in en rondom het woonwagenkamp waarvan zij eigenaar is. Daar staat het evidente belang van [gedaagde 1] bij behoud van zijn woonruimte waar hij samenwoont met [gedaagde 2] en hun honden tegenover. [gedaagde 1] c.s. vragen in feite om een laatste kans en stellen dat er perspectief is voor verbetering. Maar die laatste kans hebben zij al gehad in oktober 2024. Desondanks hebben de honden opnieuw geluidsoverlast veroorzaakt, is de standplaats weer vervuild en heeft [gedaagde 1] een omwonende bedreigd. Het is na alles wat er is gebeurd begrijpelijk dat de Gemeente het vertrouwen in [gedaagde 1] als haar huurder heeft verloren. Het enige dat nu anders is ten opzichte van de situatie in oktober 2024, is dat [gedaagde 1] geen werk meer heeft en daarom voldoende tijd zou hebben om de honden goed te verzorgen, zodat zij niet meer blaffen en poepen op de standplaats. Tegen de achtergrond van de jarenlange overlast en alle kansen die [gedaagde 1] c.s. al hebben gehad, legt dit nu onvoldoende gewicht in de schaal.
[gedaagde 1] krijgt geen terme de grâce
2.7. [gedaagde 1] vraagt om een terme de grâce, maar die krijgt hij niet (artikel 7:280 BW). De wet biedt daarvoor in deze situatie geen ruimte. [gedaagde 1] kan zijn tekortkomingen namelijk niet ongedaan maken.
[gedaagde 1] c.s. moeten het gehuurde ontruimen
2.8. Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moeten [gedaagde 1] c.s. het gehuurde met al hun spullen verlaten. Dat moet zoals gevorderd binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
Geen verklaring voor recht en geen schadestaatprocedure
2.9. De Gemeente eist een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] zich niet als goed huurder heeft gedragen in de zin van artikel 7.1 en artikel 8.5 van de Algemene huurvoorwaarden. Daarin staat samengevat dat [gedaagde 1] de standplaats netjes moet houden (artikel 7.1) en dat de woning niet gebruikt mag worden voor een bedrijf (artikel 8.5). Deze eis wijst de kantonrechter af.
2.10. De Gemeente heeft namelijk onvoldoende gesteld welk afzonderlijk belang zij heeft bij een verklaring voor recht op dit punt, nog daargelaten dat de Gemeente niet heeft gesteld dat [gedaagde 1] de woning heeft gebruikt voor een bedrijf, zodat alleen al om die reden niet voor recht verklaard kan worden dat [gedaagde 1] in strijd heeft gehandeld met artikel 8.5 van de Algemene huurvoorwaarden. De Gemeente voert als enige belang aan dat zij voor de schade, die zij lijdt doordat zij het gehuurde weer in overeenstemming zal brengen met de situatie waarin het gehuurde verkeerde toen de huurovereenkomst met [gedaagde 1] begon, naar de schadestaat verwezen wil worden, maar ook die eis wordt afgewezen. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure moet de mogelijkheid van schade aannemelijk zijn en dat is hier niet het geval.[2] Weliswaar moet [gedaagde 1] het gehuurde inderdaad weer opleveren in dezelfde staat als bij het begin van de huurovereenkomst, maar daarvoor heeft hij tot de ontruiming de tijd. De Gemeente heeft niet gesteld dat [gedaagde 1] niet aan deze verplichting kan en zal voldoen.
[gedaagde 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
2.11. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] c.s., omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] c.s. aan de Gemeente moet betalen op € 146,43 aan dagvaardingskosten, € 135, - aan griffierecht, € 408, - aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102, - aan nakosten. Dat is in totaal € 791,43. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Het vonnis is niet in haar geheel uitvoerbaar bij voorraad
2.12. [gedaagde 1] c.s. vragen om het vonnis niet in haar geheel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter zal alleen de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren (artikel 233 Rv). Daarbij is van belang dat in de praktijk een ontruiming onomkeerbare en verstrekkende gevolgen heeft. Dat staat op zichzelf niet in de weg aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar weegt samen met de onweersproken omstandigheid dat [gedaagde 1] op dit moment geen werk heeft en daardoor in staat zou zijn om goed voor de honden te zorgen, in dit verband zwaarder dan het belang van de Gemeente bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad.[3] Dat betekent dat het instellen van hoger beroep de executie schorst (artikel 350 lid 1 Rv).

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. ontbindt de huurovereenkomst tussen de Gemeente en [gedaagde 1] en veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de standplaats en de woonwagen aan de [adres] in Dordrecht te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] c.s. bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van de Gemeente te stellen;
3.2. veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van de Gemeente worden begroot op € 791,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3. verklaart onderdeel 3.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
49039
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435.
Hoge Raad 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976. - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435.
Hoge Raad 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976.