Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14629 - Rechtbank Rotterdam - 10 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1462910 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9199
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde).
  1. Deze uitspraak gaat over de tijdelijke sluiting van de woning van verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er meer dan een handelshoeveelheid lachgas is aangetroffen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht de woningsluiting te schorsen.

Procesverloop

  1. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoeker voor drie maanden gesloten vanwege een overtreding van de Opiumwet. Verzoeker heeft op 17 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de woningsluiting en de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen en de woningsluiting te schorsen tot zes weken nadat is beslist op bezwaar.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester en [persoon A] namens de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
  1. Na een melding over een ruzie in de woning van verzoeker aan de [adres] in Rotterdam (de woning) is de politie op 30 juli 2025 de woning binnengetreden. Daarbij zijn vier lachgascilinders aangetroffen. De inhoud van de lachgasflessen is vastgesteld op 5.430 gram. Dit is vastgelegd in een proces-verbaal.
3.1. Uit de bestuurlijke rapportage van 15 augustus 2025 volgt dat de politie in de periode van 19 november 2024 tot 15 augustus 2025 vijf registraties heeft vastgelegd over de woning van verzoeker. Het betreffen vier meldingen van de ex-partner van verzoeker en een melding van een buurtbewoner. Daarnaast heeft een bezoek en controle door de wijkagent plaatsgevonden. Een paar keer zijn er (lege) lachgasflessen gezien in de woning. Deze lachgasflessen zijn niet in beslag genomen. Na het opmaken van de bestuurlijke rapportage is de politie op 10 september 2025 opnieuw gebeld over een ruzie tussen verzoeker en de ex-partner. Er zijn lege lachgasflessen en ballonen aangetroffen op het balkon. Deze zijn niet in beslag genomen.
3.2. Op 9 oktober 2025 heeft de burgemeester een voornemen tot de woningsluiting gestuurd aan verzoeker en Woonbron als verhuurder van de woning. De zienswijze van verzoeker heeft niet geleid tot een ander oordeel. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 kondigt de burgemeester aan de woning definitief te sluiten voor drie maanden.
3.3. Gelet op de aard van de zaak, staat het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening tussen partijen niet ter discussie. Dat betekent dat de voorzieningenrechter zal beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Toetsingskader
  1. Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen als in een woning hard - en/of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Het beleid van de gemeente Rotterdam neemt de tijdelijke sluiting van de woning als uitgangspunt voor de last.
4.1. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de burgemeester bevoegd tot het sluiten van de woning?
  1. De burgemeester is bevoegd om de woning te sluiten als een handelshoeveelheid drugs in de woning wordt aangetroffen. Voor lachgas is dat meer dan 1 ampul of 1 ballon.[1] Een ampul bevat ongeveer 8 gram lachgas. Bij een overschrijding van deze hoeveelheid kan de aangetroffen hoeveelheid softdrugs (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking en is sprake van een handelshoeveelheid.[2]
5.1. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve vastgesteld dat de berekening van de inhoud van de vier lachgasflessen zoals opgenomen in het proces-verbaal niet klopt. De burgemeester heeft dit ter zitting erkend en aangegeven dat de juiste berekening bij de beslissing op bezwaar zal worden toegevoegd. Omdat de burgemeester geen duidelijkheid kan geven over de hoeveelheid aangetroffen lachgas, kan niet worden vastgesteld of in de woning van verzoeker een handelshoeveelheid lachgas aanwezig was. Dat de burgemeester ter zitting stelt dat ondanks de onjuiste berekening nog steeds vaststaat dat meer lachgas is aangetroffen dan een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, kan de voorzieningenrechter zonder nadere onderbouwing niet volgen. Juist omdat de hoeveelheid drugs bepalend is voor het mogen inzetten van de bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet, oordeelt de voorzieningenrechter dat zonder duidelijkheid over die hoeveelheid de burgemeester niet bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen.
5.2. De voorzieningenrechter merkt daarbij overigens op dat in de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat verzoeker en zijn ex-partner lachgasverslaafd lijken te zijn. Voor zover sprake zou zijn van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid en de bewoner feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, merkt de voorzieningenrechter ter voorlichting aan partijen op dat de burgemeester alsdan zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking, en op die grond de woning kan worden gesloten.[3] Onder omstandigheden kan dat ook gelden voor een meer dan een geringe overschrijding.[4]
5.3. Voor zover alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang zal in het kader van de evenredigheidstoets ook moeten worden beoordeeld of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. In dat kader merkt de voorzieningenrechter ter voorlichting nog het navolgende op.
Is het sluiten van de woning geschikt?
  1. Van de bevoegdheid tot het sluiten van de woning kan alleen gebruik worden gemaakt indien het bijdraagt aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Uit rechtspraak volgt dat door tijdsverloop de onrechtmatige situatie al kan zijn hersteld en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde is. In die situatie zal de burgemeester moeten afzien van het sluiten van de woning.[5]
6.1. De voorzieningenrechter overweegt dat op zitting is gebleken dat sinds 10 september 2025 geen meldingen meer zijn gedaan bij de politie over overlast uit de woning. Die melding ging over de ex-partner die voor de woning stond te schreeuwen en niet om lachgasgebruik in de woning. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat feitelijk sinds 30 juli 2025 geen sprake is van overlast uit de woning door lachgasgebruik. Verzoeker heeft ook aangegeven afstand te hebben genomen van zijn verleden en geen lachgas meer in zijn woning te (laten) gebruiken. Omdat de burgemeester de woningsluiting heeft opgelegd onder meer om herhaling wilde voorkomen, zal de burgemeester moeten motiveren waarom de sluiting van de woning nog steeds dat doel dient.
Is het sluiten van de woning noodzakelijk?
  1. Als een burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, en sluiting geschikt is om de beoogde doelen nog te kunnen bereiken, zal moeten worden beoordeeld of het noodzakelijk is om de woning te sluiten of dat volstaan kan en dus moet worden volstaan met een minder ingrijpend middel om het beoogde doel te bereiken.[6] Dat kan bijvoorbeeld een waarschuwing of een last onder dwangsom zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een eerste overtreding van artikel 13b van de Opiumwet.[7] Hiervan wordt alleen afgeweken als er sprake is van een ernstig geval.[8]
7.1. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester de noodzaak van de woningsluiting vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het in dit geval gaat om softdrugs, dat uit de stukken niet blijkt van verkoop van drugs vanuit de woning, noch dat er sprake is van loop naar de woning of dat de woning bekend staat als drugspand. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat geen andere concrete aanwijzingen bestaan waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van verkoop van drugs. Daarbij heeft verzoeker onweersproken gesteld dat slechts één melding richting de politie afkomstig was van een omwonende. Dat wordt geklaagd over ruzie en gestommel in de woning en er sprake is van lachgasgebruik, betekent niet dat sprake is van een verstoring van de openbare orde door drugshandel, die alleen geëindigd kan worden door de woning van verzoeker te sluiten. Bovendien gaat om een eerste overtreding en is geen sprake van recidive sinds de vaststelling van de overtreding. Dat sprake is van een ernstig geval is door de burgemeester vooralsnog niet aannemelijk gemaakt. Deze omstandigheden zijn onvoldoende betrokken in de afweging of ook met een lichter middel, zoals een waarschuwing, had kunnen worden volstaan. De burgemeester heeft weliswaar aangegeven dat verzoeker meerdere keren informeel is gewaarschuwd, maar de voorzieningenrechter stelt dat die waarschuwingen niet hetzelfde karakter hebben als een formele waarschuwing van de burgemeester in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat gemeentelijk beleid uitgaat van een woningsluiting bij een handelshoeveelheid ontslaat de burgemeester niet van de evenredigheidstoets zoals die is neergelegd in de rechtspraak. De voorzieningenrechter meent dat de burgemeester de noodzaak van de woningsluiting eveneens in de nog te nemen beslissing op bezwaar nader zal moeten toelichten.
Is de sluiting van de woning evenwichtig?
  1. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang. Het gaat daarbij om de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
8.1. De voorzieningenrechter merkt, voorlopig oordelend en in het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen over de geschiktheid en de noodzaak van de woningsluiting, op dat de woningsluiting zonder voorafgaande formele waarschuwing niet evenwichtig lijkt gelet op de belangen van verzoeker. Hoewel geen sprake is van een gebondenheid aan de woning, heeft verzoeker erop gewezen dat hij op de huidige woningmarkt moeilijk aan een nieuwe woning zal komen, zeker als hij wordt opgenomen op de zwarte lijst van de woningcorporaties. Dat heeft mogelijk vergaande consequenties terwijl verzoeker juist zijn leven probeert te verbeteren en nu ook beschikt over een vast contract. Omdat de te dienen belangen met de woningsluiting vooralsnog onvoldoende zijn gemotiveerd, kunnen deze niet per definitie zwaarder wegen dan het belang van het hebben van een eigen woning en de inmenging die de woningsluiting heeft op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[9] De burgemeester zal dit nader moeten motiveren.

Conclusie en gevolgen

  1. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op het bezwaar. Dat betekent dat de woning van verzoeker voorlopig niet mag worden gesloten.
9.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat burgemeester het griffierecht van € 194, - aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Dit volgt uit de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003).
Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:754).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Dit volgt onder meer uit de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922). - - - ## Voetnoten
Dit volgt uit de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs (2023R003).
Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:754).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
Dit volgt onder meer uit de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).