Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14519 - Rechtbank Rotterdam - 26 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1451926 november 2025

Uitspraak inhoud

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 26 november 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op een eerder moment. Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1 De procedure

1.1. [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2. Schuldhulpverlening heeft op 12 november 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegestuurd.
1.3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 19 november 2025. Op de zitting zijn verschenen: - [verzoeker], - [naam], zoon van [verzoeker], - mevrouw M.N. Jessurun, schuldhulpverlener van Avres.

2 De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1. Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat [verzoeker] getrouwd was in gemeenschap van goederen. Haar ex-partner is in 2019 vertrokken en heeft niets meer laten weten. De echtscheiding is pas geregistreerd in februari 2025. [verzoeker] weet niet of haar ex-partner in de periode 2019 – februari 2025 schulden heeft gemaakt die ook op haar verhaald zouden kunnen worden.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
2.4. [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5. [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.6. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.8. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10. De rechtbank kan de vraag of [verzoeker] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. De uitkeringsspecificaties van augustus 2025 t/m heden zijn niet overlegd, waardoor het inkomen (en het beslag) over die periode niet gecontroleerd kan worden. De rechtbank is desondanks van oordeel dat [verzoeker] in aanmerking komt voor een eerdere ingangsdatum, omdat er geen aanwijzingen zijn dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden in het inkomen of het beslag vanaf de laatst bekende uitkeringsspecificatie van juli 2025.
2.11. Omdat de rechtbank dus op voorhand niet onaannemelijk acht dat door [verzoeker] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
2.12. De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw) of in het eindverslag (artikel 352 Fw) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of [verzoeker] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.
2.13. De rechtbank komt tot de conclusie dat er weliswaar geen aanbod is gedaan, maar dat toch een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 11 juni 2025, zijnde de dag waarop het plan van aanpak bij Avres is getekend. In dit plan van aanpak heeft schuldhulpverlening de beslissing genomen om geen minnelijke regeling te beproeven. Bovendien lag vanaf 11 juni 2025 beslag op het inkomen van [verzoeker] en rustte er op [verzoeker] geen inspanningsplicht, daar zij 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard.

3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1. De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3. De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.4. De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.5. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.6. De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.7. Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde "schone lei". Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De "schone lei" geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4 De beslissing

De rechtbank: - spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam]; - benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te [postadres]
; - bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Franken, rechter, in samenwerking met mr. N.A. Masrom, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.[1]
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. - - - ## Voetnoten
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.