Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14512 - Rechtbank Rotterdam - 8 april 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:145128 april 2025

Uitspraak inhoud

Team insolventie
Insolventienummer: C/10/25/134 F
Uitspraak: 8 april 2025
VONNIS op het op 6 maart 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1. [verzoekster 1],
2.
  [verzoekster 2]
gevestigd te Rotterdam,
verzoeksters,
advocaat mr. J. Smael,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder],
wonende te [adres 1]
[postcode 1] [plaatsnaam 1],
handelend onder de naam
[naam bedrijf]
[adres 2]
[postcode 2] [plaatsnaam 2]
verweerder.

1 De procedure

Verzoeksters, bij monde van mr. J. Smael, advocaat, en verweerder zijn op 8 april 2025 in raadkamer gehoord.
Naar aanleiding van de bij artikel 3 van de Faillissementswet voorgeschreven brief van de griffier van 7 maart 2025 is geen verzoekschrift ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Standpunt van partijen

Verzoeksters hebben het faillissement van verweerder aangevraagd, stellende dat tussen verzoeksters en verweerder sprake is van overeenkomsten met betrekking tot
huur/lease van voertuigen. Verweerder is diverse bedragen verschuldigd aan verzoeksters op
grond van deze overeenkomsten. Ondanks meerdere pogingen vanuit verzoeksters, heeft er
tot op heden geen betaling vanuit verweerder plaatsgevonden. Het openstaande saldo van
[verzoekster 1] is (inclusief rente en kosten) € 3.861,38 en van
[verzoekster 2] (inclusief rente en kosten) € 22.531,13. Ter terechtzitting wordt een steunvordering van de Belastingdienst overgelegd van € 29.473,00.
Verweerder is eerder failliet verklaard op 19 februari 2021, welk faillissement is opgeheven op 6 september 2022 wegens gebrek aan baten. Op dit moment heeft verweerder weer twee nieuwe bedrijven (een eenmanszaak en een besloten vennootschap). Volgens verzoeksters volgt daar uit dat er voldoende vermogen moet zijn om de kosten van het faillissement te dekken.
Verweerder betwist de vordering van [verzoekster 2] nu deze vordering in een eerder faillissement van verweerder (en zijn eenmanszaak) ook al bestond maar niet bij de curator is ingediend. Volgens verweerder kan deze vordering niet betrokken worden in deze procedure en dient deze te worden kwijtgescholden. Ten aanzien van de vordering van [verzoekster 1] heeft verweerder aangevoerd dat er geen contractuele relatie is, zodat ook deze vordering wordt betwist. De (steun)vordering van de Belastingdienst wordt, desgevraagd, door verweerder erkend. Volgens verweerder levert het verzoek onder de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid op. Verweerder verzoekt het verzoek af te wijzen en verzoeksters te veroordelen in de kosten van de procedure.

3 De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Eerder faillissement
Nadat een eerder faillissement is geëindigd door opheffing bij gebrek aan baten kan
op grond van artikel 18 tweede alinea van de Faillissementswet een nieuw faillissement slechts worden uitgesproken indien een aanvrager kan aantonen dat er voldoende baten zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden. Met verzoeksters is de rechtbank van oordeel dat deze baten voldoende aannemelijk zijn gemaakt nu er kennelijk voldoende actief is om een nieuwe handel op te zetten in natuursteen, zoals ter zitting door verweerder is verklaard.
Opeisbaarheid, pluraliteit en faillissementstoestand
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verweerder de vordering [verzoekster 2] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het vorige faillissement van verweerder is opgeheven wegens gebrek aan baten (ex artikel 16 Faillissementswet). Deze opheffing heeft tot gevolg dat het faillissement is geëindigd en daarmee de situatie van voor het faillissement intreedt, waarbij de rechten van de schuldeisers weer herleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vorderingsrecht van verzoekster sub 2 op verweerder voldoende is komen vast te staan. Nu de steunvordering van de Belastingdienst door verweerder is erkend, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Het verweer tegen verzoekster sub 1 behoeft daarom bij deze stand van zaken geen bespreking meer en kan in het midden worden gelaten. Verzoeksters hebben ter terechtzitting nog de mogelijkheid geboden tot het treffen van een betalingsreling. Verweerder heeft aangegeven daartoe in beginsel wel bereid te zijn maar dat daarvoor geen financiële ruimte is omdat hij al bij de Belastingdienst een betalingsregeling heeft lopen. Er is dan ook summierlijk gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
Misbruik van bevoegdheid
Of verzoeksters een redelijk belang hebben bij faillietverklaring kan in deze procedure slechts beperkt worden getoetst. Misbruik van bevoegdheid kan een grond opleveren voor de afwijzing van een faillissementsaanvraag. Een bevoegdheid kan onder andere worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden. Uitgaande van het uitgangspunt dat het een partij vrij staat zich met een in de wet voorziene vordering of verzoek tot de rechter te wenden om aldus diens beslissing uit te lokken, komt de rechtbank tot het oordeel dat, in dit geval, geen sprake is van een lichtvaardig omspringen met bedoelde bevoegdheid. Ook verder is niet gebleken dat de aanvraag geen ander doel dient dan verweerster te schaden of dat verzoeksters in redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid hebben kunnen komen.
Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

4 De beslissing

De rechtbank: - verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement; - benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken, lid van deze rechtbank; - stelt aan tot curator mr. M.N.A. Littooij, advocaat te Rotterdam; - geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025 te 16:00 uur. [1]
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. - - - ## Voetnoten
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.