Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14416 - Rechtbank Rotterdam - 7 augustus 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14416•7 augustus 2025
Uitspraak inhoud
zaaknummer: 11259503 \ MB VERZ 24-7231
cjib-nummer: 259578741
registratienummer: 017MWV
uitspraak: 7 augustus 2025
uitspraak van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van:
betrokkene: [betrokkene]
woonplaats: Haarlem
gemachtigde: Codex Mulder
1 Het verloop van de procedure
Bij inleidende beschikking van 30 juli 2023 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 24,00, vermeerderd met € 9,00 administratiekosten. De beschikking is opgelegd voor "Overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom met 4 km/h (verkeersbord A1)", begaan op dinsdag 18 juli 2023 om 21:45 uur te Rotterdam op de Trajectcontrole A13 Rotterdam links (feitcode VM004).
Tegen deze beschikking is betrokkene op 13 september 2023 bij de officier van justitie in beroep gekomen.
De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is op 29 februari 2024 aan betrokkene verzonden.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 12 april 2024 beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De officier van justitie heeft zijn beslissing heroverwogen. De officier van justitie heeft zijn beslissing ingetrokken en de initiële beschikking vernietigd. Betrokkene is hiervan bij brief van 20 maart 2025 op de hoogte gesteld. Betrokkene is daarbij in de gelegenheid gesteld het beroep op de kantonrechter in te trekken. Daarvan heeft betrokkene geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2025, waar namens de officier van justitie een vertegenwoordiger van de CVOM is verschenen. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2 De beoordeling
2.1 De termijnen en formaliteiten voor de procedure bij de kantonrechter zijn in acht genomen.
2.2 Betrokkene doet alleen een beroep op een proceskostenvergoeding. De CVOM heeft de inleidende beschikking vernietigd maar heeft ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend. Daarom verzoekt de gemachtigde van betrokkene alsnog om een proceskostenvergoeding. Dit beroep slaagt.
2.3 De gemachtigde van betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie en een beroepschrift bij de kantonrechter. Het beroep bij de officier van justitie is ingediend "op nader aan te voeren gronden", zoals uit de brief van 11 september 2023 blijkt. Niet gebleken is dat op een later moment nog gronden zijn aangevoerd door de gemachtigde van betrokkene. Dat brengt mee dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in het administratief beroep.
2.4 Voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter wordt één punt toegekend. De waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 907,00. Gelet op de aard van de zaak en gezien het door de gemachtigde van betrokkene gevoerde verweer, past de kantonrechter in de onderhavige zaak de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe.
2.5 Met betrekking tot het verzoek om de matigingsfactor als bedoeld in artikel 13a, tweede lid 2 Wahv van 0,25 buiten beschouwing te laten wordt het volgende overwogen.
2.6 Volgens de gemachtigde werkt zij niet op basis van 'no cure no pay' maar behandelt zij voor een vast bedrag per maand alle verkeerszaken, komen proceskosten volledig ten goede van betrokkene en zijn de werkelijk gemaakte kosten doorgaans hoger dan de eventueel te ontvangen proceskostenvergoedingen. Daarom is sprake van 'bijzondere omstandigheden' als bedoeld in artikel 13a lid 2 Wahv waardoor de matigingsfactor niet van toepassing is, aldus de gemachtigde. Vervolgens wordt verzocht om de proceskostenvergoeding uit te betalen op de derdengeldenrekening van de gemachtigde.
2.7 De kantonrechter stelt voorop dat de wetgever met de invoering van artikel 13a lid 2 Wahv heeft beoogd de proceskostenvergoedingen meer in lijn te brengen met de daadwerkelijke verrichte inspanningen van de rechtsbijstandverlener. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat sprake is van bijzondere omstandigheden waarop de matigingsfactor niet van toepassing is, rusten op betrokkene. Wat daartoe in dit geval naar voren is gebracht, is onvoldoende om het oordeel te kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een geval dat materieel zodanig afwijkt van de gevallen waarvoor de matigingsfactor in het leven is geroepen (en daarmee van 'bijzondere omstandigheden' als bedoeld in artikel 13a lid 2 Wahv) dat die factor buiten beschouwing moet worden gelaten. Zo is de stelling dat de werkelijk gemaakte kosten doorgaans hoger zijn dan de eventueel te ontvangen proceskostenvergoedingen op geen enkele wijze onderbouwd. Ook is geen inzicht gegeven in de gemaakte afspraken met betrekking tot het kennelijk maandelijks in rekening gebrachte vaste bedrag, de aantallen zaken die daarvoor behandeld worden en de (doorgaans) gevoerde verweren. Verder is onduidelijk waarom wordt verzocht om de proceskostenvergoeding over te maken op de derdengeldenrekening van de gemachtigde. De gemachtigde heeft geen gebruik van de mogelijkheid om ter zitting te verschijnen en heeft daarbij de mogelijkheid om een nadere toelichting te geven / stukken over te leggen niet benut. Dat brengt mee dat het verzoek om de matigingsfactor buiten beschouwing te laten als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.
2.8 Gelet op het voorgaande wordt de officier van justitie veroordeeld in de proceskosten die zijn gevallen aan de zijde van betrokkene, tot een bedrag van € 113,38 (= 1 punt x € 907,00 x 0,5 x 0,25).
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de officier van justitie om aan betrokkene te betalen een bedrag van € 113,38 aan proceskostenvergoeding;
bepaalt dat wat te veel aan zekerheid is gesteld wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare zitting.
60628
Wanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 110,00 of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het niet tijdig stellen van zekerheid, staat ingevolge artikel 14 Wahv tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij de kantonrechter (Postbus 50955, 3007 BS Rotterdam). Het is niet mogelijk om hoger beroep in te stellen per e-mail.
Datum toezending: