Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14413 - Rechtbank Rotterdam - 4 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:144134 december 2025

Uitspraak inhoud

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 4 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres 1]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 12 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 november 2025.
Ter zitting van 26 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Na de zitting heeft verzoeker aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker staat sinds 23 augustus 2022 onder bewind. Verder ontvangt verzoeker sinds kort een uitkering op grond van de Participatiewet. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de huur van € 637,38 per maand te betalen. De huur voor de maanden november en december 2025 is ook voldaan. Verzoeker is bovendien aangemeld bij Zuidweg & Partners om zodoende een oplossing te krijgen voor zijn (schulden)problematiek. Op 17 november 2025 heeft het intakegesprek plaatsgevonden en is verzoeker verzocht om (aanvullende) stukken aan te leveren. De kinderen van verzoeker komen ieder weekend naar verzoeker. Het is dan ook belangrijk dat verzoeker in zijn woning kan blijven wonen.
De beschermingsbewindvoerder heeft nog ter zitting verklaard dat er tijdens het beschermingsbewind nieuwe achterstanden waren ontstaan, omdat verzoeker wisselende inkomsten heeft gehad. Ook ontving hij voorheen inkomsten op een eigen rekening. Verzoeker had bankrekeningen die niet bekend waren, aldus de beschermingsbewindvoerder. Die bankrekeningen zijn inmiddels stopgezet. De uitkering op grond van de Participatiewet wordt door de beschermingsbewindvoerder ontvangen, zodat daarmee is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 6 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 maart 2022 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Dit inkomen is voldoende om de verschuldigde huur te betalen. Daarnaast in sprake van onderbewindstelling, waarmee gewaarborgd wordt dat de lopende termijnen ook daadwerkelijk worden voldaan. De huur voor de maanden november en december 2025 is ook voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 maart 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 november 2025; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.