Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:1431 - Rechtbank Rotterdam - 6 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:14316 januari 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11049
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Kaplan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg)

Inleiding

  1. Met een besluit van 1 augustus 2024 heeft het college de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring op de grond 'doorstroom vanuit opvanginstellingen' afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
  1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam] (tolk), de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
  1. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  1. Het spoedeisend belang is niet in geschil tussen partijen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
  1. Verzoekster heeft tijdens de bezwaarprocedure ook al een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 18 oktober 2024 met zaaknummer ROT 24/8639 (ECLI:NL:RBROT:2024:10329) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. Nu hangende het beroep opnieuw om een voorlopige voorziening wordt verzocht, terwijl het standpunt van het college ongewijzigd is gebleven, is er in beginsel geen aanleiding het eerder gegeven voorlopig oordeel over de uitkomst van de bodemprocedure opnieuw te bezien. Een herhaald verzoek om voorlopige voorziening kan gelet op vaste rechtspraak slechts voor toewijzing in aanmerking komen als sprake is van een terecht beroep op nieuwe feiten of omstandigheden door verzoekster. Het moet gaan om feiten of omstandigheden die verzoekster ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een herhaald verzoek rechtvaardigen.[1]
  1. Volgens verzoekster is er sprake van een belangrijke wijziging ten opzichte van de vorige procedure. Verzoekster voert aan dat haar kinderen niet langer bij haar zwager kunnen verblijven. Daarnaast is volgens verzoekster ook sprake van urgentie op de grond "mantelzorg" omdat haar dochter lijdt aan diabetes en zij de zorg van haar moeder nodig heeft om toezicht te houden op haar speciale dieet. Daarnaast is het voor minderjarige kinderen op zichzelf al onwenselijk om gescheiden van hun moeder te wonen, te meer nu de scheiding al bijna anderhalf jaar voortduurt.
9.1. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster aanvoert geen feiten of omstandigheden die verzoekster ten tijde van het vorige verzoek niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, of nieuwe feiten of omstandigheden van na de uitspraak op het vorige verzoek, die een herhaald verzoek rechtvaardigen. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader als volgt.
9.2. Het probleem is dat heel veel mensen een woning zoeken en dat er, zoals toegelicht door het college ter zitting, elke week wel een gezin is in dezelfde situatie waarbij de ouders gescheiden van de kinderen wonen. Verzoekster vraagt om een uitzondering voor haar te maken op de grond doorstroom vanuit een opvanglocatie. De voorzieningenrechter heeft in de voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure al gezegd dat het college de urgentieaanvraag op die grond terecht heeft afgewezen. Verzoekster wil nu dat daarop een uitzondering wordt gemaakt door toepassing van de hardheidsclausule. Hoewel de situatie van verzoekster een schrijnende situatie is, is het een situatie die in de verordening is voorzien. De zoon van verzoekster is inmiddels meerderjarig en kan daarom misschien bij verzoekster verblijven. Verzoekster en de minderjarige dochters van verzoekster hebben een dak boven hun hoofd en kunnen elkaar dagelijks zien. Daarom volgt de voorzieningenrechter het college in het standpunt dat verzoekster geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule kan doen. De vraag of het zover moet komen dat de dochters van verzoekster op straat worden gezet, is een buikpijnvraag. De voorzieningenrechter hoopt dat het zover niet hoeft te komen en vindt dat er sprake is van een zorgelijke situatie. Daarom vraagt de voorzieningenrechter aan het college om heel goed naar de situatie van verzoekster te kijken voor als daarin iets verandert. Als de kinderen op straat worden gezet worden zij mogelijk onder toezicht gesteld en dan belandt verzoekster van de regen in de drup. De voorzieningenrechter acht het van groot belang dat verzoekster en haar dochters, via welk loket dan ook, samen kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog niet met voorrang op woningen kan reageren. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2025 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1569. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1569.