Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14307 - Rechtbank Rotterdam - 17 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1430717 november 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8697

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoekster], uit Dordrecht, verzoekster,

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de burgemeester van Dordrecht, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. P.J. van Bruggen).

Inleiding

1.1. Met het besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester aan verzoekster een gebiedsverbod opgelegd voor het gebied Dordrecht centrum en Crabbehof voor de duur van zes weken opgelegd, ingaande op 19 oktober 2025. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 november 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
1.3. Op zitting heeft de gemachtigde van verzoekster nadere stukken ingediend.
1.4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
  1. Op 2 juli 2025 heeft de burgemeester op grond van artikel 2:75A van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV) en de Beleidsregels Wijkverboden artikel 2:75A APV verzoekster een schriftelijke waarschuwing gegeven, omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overlast in de openbare ruimte. Op 20 september 2025 heeft de burgemeester vanwege openbare dronkenschap een wijkverbod voor de duur van 48 uur aan verzoekster opgelegd. Op 5 oktober 2025 heeft de burgemeester vanwege overlast in de openbare ruimte een wijkverbod voor de duur van twee weken aan verzoekster opgelegd. Bij bestreden besluit heeft de burgemeester vanwege overtreding van het wijkverbod van 5 oktober 2025 een wijkverbod voor de duur van zes weken aan verzoekster opgelegd.
Wat vindt verzoekster?
  1. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het gebiedsverbod wordt geschorst totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verzoekster stelt dat het wijkverbod niet aan haar fysiek is uitgereikt. Hierdoor heeft zij haar zienwijze niet adequaat naar voren kunnen brengen. Ook betwist verzoekster dat zij zich op 5 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 2:48, tweede lid, van de APV. Daarnaast voert verzoekster aan dat zij onevenredig hard wordt geraakt door het gebiedsverbod. Door het gebiedsverbod wordt haar de toegang tot GGZ-instelling Fivoor ontzegd. Tot slot had de burgemeester moeten volstaan met een minder verregaande maatregel. Het gebiedsverbod is te ruim afgebakend. De aan de maatregel ten grondslag gelegde incidenten hebben zich vrijwel uitsluitend voorgedaan in de wijk Crabbehof en in een beperkt gebied direct grenzend aan het station. Niet valt in te zien waarom daarnaast ook het gehele centrum van Dordrecht onder het verbod is gebracht.
Is er een spoedeisend belang?
4.1. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar - of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.2. Op zitting is door de gemachtigde van de burgemeester toegezegd dat hij ervoor zal zorgen dat het wijkverbod per morgen is opgeheven. De voorzieningenrechter vindt daarom dat er geen spoedeisend belang meer is. Verzoekster kan het besluit op bezwaar afwachten terwijl ze zich ondertussen weer vrij kan bewegen in het gebied waarvoor het verbod gold. In de bezwaarprocedure kunnen de aangevoerde gronden inhoudelijk aan de orde komen. In wat de gemachtigde van verzoekster op zitting heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om toch een voorlopig rechtsmatigheidsoordeel te geven.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  1. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.