Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14305 - Rechtbank Rotterdam - 10 november 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14305•10 november 2025
Uitspraak inhoud
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/ 704789 / FA RK 25-6086
Beschikking van 10 november 2025 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] .
1 De procedure
1.1. De vrouw heeft op 7 augustus 2025 haar verzoekschrift met bijlagen ingediend.
1.2. De man heeft op 13 september 2025 de uitnodiging voor de mondelinge behandeling en het verzoekschrift van de vrouw opgehaald. De man heeft zelf geen stukken ingediend.
1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
1.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw, met instemming van de man, stukken overgelegd die zien op de inkomens van partijen.
2 De vaststaande feiten
2.1. Partijen zijn op 30 augustus 2019 met elkaar gehuwd.
2.2. Het minderjarige kind van partijen is:
[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
2.3. De vrouw heeft inmiddels een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
3 De beoordeling
3.1. Onderhoudsbijdrage
3.1.1. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man vanaf 14 juli 2025 elke maand bij vooruit betaling € 556, - aan de vrouw moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage).
3.1.2. De man is het hier niet mee eens. Hij vindt € 556, - per maand een veel te hoog bedrag. De man vraagt de rechtbank om alleen te rekenen met het basisloon op zijn loonstrook (zonder overwerk), omdat zijn loon elke maand wisselt en omdat hij kosten heeft. De man wil graag een huis kopen. Pas heeft hij een auto gekocht en hij maakt reiskosten om van [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] te reizen om de minderjarige te zien.
3.1.3. Partijen zijn het dus niet eens over de hoogte van de kinderbijdrage. De rechtbank moet daarom een beslissing nemen. De rechtbank zal daarbij kijken naar het rekensysteem en de aanbevelingen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie.
3.1.4. Hierna legt de rechtbank uit wat partijen hebben gezegd en met welke redenen de beslissing is genomen.
Ingangsdatum
3.1.5. Als eerste moet de rechtbank beslissen vanaf welke datum de man elke maand een kinderbijdrage moet betalen. De vrouw vindt dat dit 14 juli 2025 moet zijn. Omdat dit de geboortedatum van de minderjarige is en omdat deze datum niet heel lang geleden is, vindt de rechtbank deze datum geschikt. De man heeft niet gezegd dat hij het niet eens is met die datum. Daarom zal de rechtbank 14 juli 2025 als ingangsdatum vaststellen.
Behoefte
3.1.6. Als tweede moet de rechtbank bepalen welk bedrag wordt besteed aan de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dat is wat de minderjarige elke maand "kost". Dat heet de behoefte. In de behoeftetabel, dat onderdeel uitmaakt van het eerder genoemde rekensysteem, kan met de inkomens van de ouders worden afgelezen hoe hoog die behoefte is.
3.1.7. De behoefte moet worden bepaald op basis van de inkomens van partijen tijdens het huwelijk, toen zij als gezin samenwoonden. Het rekensysteem gaat namelijk uit van het bedrag dat een kind kost tijdens het huwelijk. Dat bedrag mag niet lager worden doordat de ouders zijn gescheiden. De rechtbank zal uitgaan van de inkomens van partijen over het jaar 2024, omdat partijen toen nog samen waren en omdat de rechtbank van dat jaar inkomensgegevens heeft gekregen.
Inkomen man
3.1.8. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man uitgelegd dat hij in juni 2024 in dienst is gegaan bij [naam bedrijf 1] en dat hij daarvoor als ZZP'er (monteur voor [naam bedrijf 2] ) heeft gewerkt.
3.1.9. De vrouw heeft de jaaropgaaf van de man over 2024 laten zien. Daarin staat dat de man in 2024 € 35.211, - bij [naam bedrijf 1] heeft verdiend. Dat is dus zijn inkomen van zeven maanden. Niemand heeft de rechtbank papieren laten zien van het inkomen van de man als ZZP'er. Hierdoor kan de rechtbank niet precies vaststellen wat de man totaal in 2024 heeft verdiend. Er moet dan een manier worden bedacht om te schatten wat de man in 2024 ongeveer heeft of kan hebben verdiend.
3.1.10. De rechtbank vindt het een goede oplossing van de advocaat van de vrouw om
€ 35.211, - te delen door zeven maanden en te vermenigvuldigen met twaalf maanden. Per maand heeft de man dan dus gemiddeld (€ 35.211, - / zeven maanden) = € 5.030, - bruto verdiend. Per jaar is dat dan (€ 5.030, - x 12 maanden =) € 60.362, - bruto.
3.1.11. Nogmaals: dat is dus niet precies het inkomen van de man, want het is een schatting, maar dit bedrag komt wel heel dichtbij de waarheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man namelijk gezegd dat hij denkt dat hij van januari tot en met mei 2024 € 25.000, - als ZZP'er heeft verdiend. Per maand zou hij dan dus € 5.000, - als ZZP'er hebben verdiend. Dat is bijna net zoveel als € 5.030, - per maand bij [naam bedrijf 1]
3.1.12. De man hoeft zich geen zorgen te maken dat te veel overwerk wordt meegerekend, omdat deze berekening meeneemt wat hij gemiddeld heeft overgewerkt. Het maakt dus niet uit dat zijn overwerk elke maand wisselt. De rechtbank vindt het niet juist om het inkomen uit overwerk helemaal niet mee te rekenen. Tijdens de samenwoning van partijen zou de minderjarige namelijk ook geprofiteerd hebben van dit extra inkomen.
3.1.13. Het inkomen van de man dat de rechtbank voor de behoefte meerekent, is dus:
€ 35.211 / 7 maanden * 12 maanden = € 60.362,-.
Het netto besteedbaar inkomen van de man komt dan uit op € 3.658, - per maand.
De volgende heffingskortingen zijn meegenomen: - de algemene heffingskorting; - de arbeidskorting.
Partijen kunnen in de berekening die vastzit aan deze beschikking nakijken hoe de rechtbank heeft gerekend.
Inkomen vrouw
3.1.14. De vrouw heeft gerekend met haar WIA-uitkering van € 9.090, - en haar Ziektewetuitkering van € 20.657, - in het jaar 2024, samen € 29.747,-. Omdat de vrouw met haar jaaropgaaf van 2024 heeft laten zien dat deze bedragen kloppen, zal de rechtbank daarmee rekenen. De man heeft ook niet gezegd dat deze bedragen onjuist zijn.
Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw komt dan uit op € 1.840, - per maand.
De volgende heffingskorting is in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting.
Behoeftetabel
3.1.15. Nu de rechtbank weet hoe hoog de inkomens van partijen zijn, moet in de eerder genoemde tabel worden afgelezen hoe hoog de behoefte van de minderjarige is (met andere woorden, wat de minderjarige "kost" per maand).
3.1.16. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen is € 5.498, - per maand (€ 3.658 + € 1.840). Volgens de tabel is bij dit gezinsinkomen de behoefte van de minderjarige
€ 745, - per maand.
Draagkracht
3.1.17. Als derde moet de rechtbank bepalen hoeveel geld partijen beschikbaar hebben voor de minderjarige. Dat heet de draagkracht. In deze berekening wordt eerst gekeken hoeveel geld partijen van hun huidige inkomen moeten besteden aan hun huis, de boodschappen, ziektekosten, andere vaste lasten en onverwachte uitgaven. Wat er dan overblijft, kan worden besteed aan de minderjarige. Dat heet de draagkracht.
3.1.18. De rechtbank moet dan eerst bekijken hoe hoog de inkomens van partijen nu zijn.
Inkomen man
3.1.19. De vrouw heeft de loonstrook van de man van mei 2025 bij [naam bedrijf 1] laten zien. Daarop staan een basisloon, een vergoeding, overwerk en gewerkte feestdagen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij in september 2025 alleen een basisloon zonder overwerk heeft gekregen. Het loon van de man wisselt dus. Er zijn over het jaar 2025 niet genoeg papieren van het inkomen van de man om te bepalen welke bedragen naast het basisloon als structureel inkomen meegerekend kunnen worden. De rechtbank is het niet eens met de man dat daarom alleen het basisloon moet worden meegerekend. Op de enige loonstrook over 2025 die de rechtbank heeft gezien, staan wel extra bedragen genoemd. De rechtbank begrijpt uit wat de man verteld heeft, dat hij overwerkt om een huis te kunnen kopen en andere kosten te betalen, maar het is ook belangrijk dat een deel van het geld dat verdiend wordt met overwerk, naar de minderjarige gaat via de kinderbijdrage.
3.1.20. Daarom vindt de rechtbank, net als de vrouw, dat weer met zijn inkomen over 2024 van € 60.362, - moet worden gerekend. Het netto besteedbaar inkomen van de man komt dan uit op € 3.658, - per maand.
De volgende heffingskortingen zijn meegenomen: - de algemene heffingskorting; - de arbeidskorting.
3.1.21. Om de draagkracht te bepalen, wordt in het rekensysteem deze formule gebruikt:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
3.1.22. De rechtbank zal deze formule kort uitleggen.
Van het netto besteedbaar inkomen (NBI) wordt 30% gereserveerd voor woonlasten (0,3 x NBI) en € 1.310, - voor kosten van eigen levensonderhoud.
Kosten van levensonderhoud bestaan uit de bijstandsnorm (het minimale bedrag om van te kunnen leven), een woongedeelte, een ziektekostengedeelte en onvoorziene kosten.
Van het gedeelte dat overblijft van het netto besteedbaar inkomen [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] wordt 70% gebruikt voor de berekening van de kinderbijdrage (de draagkrachtruimte). De overige 30% wordt niet meegerekend voor de kinderbijdrage, omdat dit is bedoeld om financiële tegenvallers of het sparen voor iets belangrijks op te vangen.
3.1.23. De draagkracht van de man is dan 70% x [€ 3.658 – (0,3 x € 3.658 + 1.310)] = € 876, - per maand.
3.1.24. Partijen kunnen het bovenstaande nakijken in de berekening die vastzit aan deze beschikking.
Inkomen vrouw
3.1.25. De vrouw heeft gerekend met haar WIA-uitkering van € 2.389, - per maand en 8% vakantiegeld. Omdat de vrouw met haar betaalspecificatie over juni 2025 heeft laten zien dat deze bedragen kloppen, zal de rechtbank daarmee rekenen. De man heeft ook niet gezegd dat deze bedragen onjuist zijn.
Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw komt dan uit op € 2.375, - per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting.
3.1.26. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 477, - per maand, waar de vrouw met haar inkomen recht op heeft.
3.1.27. De draagkracht van de vrouw is dan 70% x [€ 2.375 – (0,3 x € 2.375 + 1.310)] = € 247, - per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.1.28. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen van € 1.123, - (€ 247 + € 1.123) hoger is dan de behoefte van de minderjarige van € 745, - moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 876 / € 1.123 x € 745 = € 581
het deel van de vrouw bedraagt: € 247 / € 1.123 x € 745 = € 164 +
samen € 745
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 581, - per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 164, - per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.1.29. Omdat de man de minderjarige om de week ongeveer drie uur ziet, heeft hij recht op een zorgkorting van 5%. De zorgkorting houdt in dat de man minder kinderbijdrage hoeft te betalen, omdat hij kosten maakt als hij de minderjarige ziet. Bij de man zijn dat reiskosten.
3.1.30. Omdat de behoefte van de minderjarige € 745, - per maand is, is de zorgkorting € 37, - per maand.
3.1.31. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 544, - per maand.
Conclusie
3.1.32. Op basis van de berekening hierboven moet de man € 544, - per maand als kinderbijdrage aan de vrouw betalen.
3.1.33. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.2. Proceskosten
3.2.1. Vanwege de relatie van partijen bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
4.1. bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 14 juli 2025 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 544, - per maand bij vooruitbetaling te voldoen;
4.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4. wijst af het meer of anders verzochte.
Bijlagen: - NBI behoefte man - NBI behoefte vrouw - Behoeftetabel - NBI kinderbijdrage man - NBI kinderbijdrage vrouw
BEHOEFTETABEL 2025
De tabel dient als volgt te worden gebruikt:
1.1.1 Tabel - eigen aandeel kosten van kinderen per maand (exclusief kinderbijslag)