Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14252 - Rechtbank Rotterdam - 14 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1425214 november 2025

Uitspraak inhoud

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11610334 CV EXPL 25-7188
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. [gedaagde 1] vennoot van [naam bedrijf], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen van [naam],
kantoorhoudende in Dordrecht,
2. [gedaagde 2] vennoot van [naam bedrijf], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de gelden en goederen van [naam],
kantoorhoudende in Dordrecht,
gedaagden,
gemachtigde: mr. B. Temeltasch.
De eisende partij wordt hierna 'Havensteder' genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk '[naam bedrijf]' genoemd. De onderbewindgestelde wordt '[naam]' genoemd.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
1.2. Op 13 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer M. Nobels, namens de gemachtigde van Havensteder. Ook de gemachtigde van [naam bedrijf] is verschenen.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1. [naam] huurt sinds 14 mei 2014 een woning aan de [adres] van Havensteder. [naam] is onder bewind gesteld. De huur is nu € 661,72 per maand. Tot en met de maand oktober 2025 is er een huurachterstand van € 6.951,22. Havensteder eist dat [naam bedrijf] de huurachterstand met rente en kosten betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt.
2.2. [naam bedrijf] heeft in haar schriftelijke antwoord verweer gevoerd, maar op de zitting aangegeven dat zij dit verweer niet langer handhaaft. [naam bedrijf] erkent dat de huidige (financiële) situatie niet langer houdbaar is voor [naam]. Zij stemt daarom in met de beëindiging van de huurovereenkomst.
2.3. [naam bedrijf] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning ontruimen. Dit houdt in dat [naam] de woning moet gaan verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[naam bedrijf] moet een huurachterstand van € 6.951,22 betalen
2.4. [naam bedrijf] wordt veroordeeld om € 6.951,22 aan Havensteder te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand oktober 2025 zit hier dus bij.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.5. De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [naam bedrijf] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.[1] Er zijn echter geen aanvullende omstandigheden genoemd die maken dat de tekortkoming in dit geval de ontbinding niet rechtvaardigt.
[naam bedrijf] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.6. Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [naam] de woning met al zijn spullen verlaten. Omdat de vennoten van [naam bedrijf] de bewindvoerders en dus de formele procespartijen zijn, worden zij veroordeeld om de woning te ontruimen. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [naam bedrijf] een gebruiksvergoeding van € 661,72 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Havensteder heeft niet uitgelegd waarom [naam bedrijf] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[naam bedrijf] moet incassokosten betalen
2.7. De incassokosten van € 449,56 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[naam bedrijf] moet rente betalen
2.8. De rente wordt toegewezen, omdat Havensteder genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [naam bedrijf] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [naam bedrijf] aan Havensteder moet betalen de rente van € 69,33 die Havensteder heeft berekend tot 18 maart 2025.
Geen oneerlijke bepalingen
2.9. De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[naam bedrijf] moet de proceskosten betalen
2.10. De proceskosten komen voor rekening van [naam bedrijf], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [naam bedrijf] aan Havensteder moet betalen op € 149,02 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.505,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [naam bedrijf] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [naam bedrijf] om aan Havensteder te betalen € 7.470,11 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 5.649,27 vanaf 18 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2. ontbindt de huurovereenkomst tussen Havensteder en [naam] en veroordeelt [naam bedrijf] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [naam bedrijf] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
3.3. veroordeelt [naam bedrijf] om vanaf november 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Havensteder te betalen € 661,72 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4. veroordeelt [naam bedrijf] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.505,02;
3.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
64363
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810 - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810