Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14233 - Rechtbank Rotterdam - 3 oktober 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:142333 oktober 2025

Uitspraak inhoud

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11610750 CV EXPL 25-7244
datum uitspraak: 3 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: deurwaarderskantoor LAVG B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats [woonplaats]
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ' [eiseres] ' en ' [gedaagde] ' genoemd.

1 De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1. [eiseres] heeft [gedaagde] een factuur gestuurd van € 645,18, die [gedaagde] niet heeft betaald. Volgens [eiseres] ziet de factuur op medische behandelingen van [gedaagde] in het [eiseres] . [eiseres] eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het nog openstaande bedrag met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij betwist dat hij in het [eiseres] is behandeld. Ook voert hij aan dat de vordering van [eiseres] is verjaard.
[gedaagde] heeft behandelingen ondergaan in het [eiseres]
2.3. [eiseres] heeft in haar repliek gewezen op de verwijsbrief van huisarts Kerster van 14 november 2016. In die verwijsbrief staan onder andere de naam, de geboortedatum, het BSN, het bij de huisarts bekende adres, de verzekeraar en het verzekeringsnummer van [gedaagde] met een doorverwijzing naar de neurologie afdeling van het [eiseres] . Daarnaast heeft [eiseres] aangevoerd dat de identiteit van [gedaagde] voorafgaand aan de behandelingen in het [eiseres] is gecontroleerd.
2.4. [gedaagde] heeft niet gereageerd op de repliek van [eiseres] . Hij heeft het bezoek aan de huisarts en door de huisarts gegeven verwijsbrief dan ook niet betwist. [gedaagde] heeft op de zitting van 1 april 2025 wel aangevoerd dat het zou kunnen dat er misbruik is gemaakt van zijn gegevens. [gedaagde] heeft dit verder niet onderbouwd met concrete omstandigheden waarop hij dit vermoeden baseert. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] door de huisarts naar de neurologie afdeling van het [eiseres] is verwezen, en dat hij de behandelingen die door het [eiseres] bij hem in rekening zijn gebracht heeft ondergaan.
De vordering is niet verjaard
2.5. Een vordering tot nakoming van een verbintenis verjaart na een periode van vijf jaar nadat de verbintenis opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW).
2.6. Een verbintenis als waar het hier om gaat is direct opeisbaar, tenzij een termijn voor nakoming is overeengekomen. Uit de stukken van partijen blijkt niet dat partijen ten tijde van de medische behandeling een termijn voor nakoming zijn overeengekomen. [eiseres] had dus direct na de medische behandelingen van [gedaagde] aanspraak kunnen maken op betaling door [gedaagde] . Omdat uit de inhoud van de factuur van 11 juli 2017 blijkt dat het totale zorgtraject op 19 juni 2017 is afgesloten, gaat de kantonrechter er van uit dat [eiseres] in elk geval vanaf 20 juni 2017 aanspraak had kunnen maken op betaling van de medische kosten. Dat betekent dat vanaf dat moment de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen.
2.7. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW).
2.8. [gedaagde] betwist dat hij de factuur van 11 juli 2017 en de door [eiseres] verstuurde aanmaningen heeft ontvangen, omdat hij dakloos was. [eiseres] heeft bij conclusie van repliek een groot aantal aanmaningen in het geding gebracht, die zij en haar gemachtigde in de periode tussen 17 september 2019 en 10 december 2024 aan [gedaagde] hebben verstuurd. Uit die aanmaningen blijkt dat [eiseres] bij herhaling ondubbelzinnig aanspraak maakt op betaling.
2.9. De aanmaningen van 20 augustus 2020 en 17 september 2020 zijn verstuurd naar het adres dat op die data in de Basisregistratie Personen ('BRP') stond als het briefadres van [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat hij de brieven niet heeft ontvangen, omdat hij feitelijk niet verbleef op de adressen waarop hij stond ingeschreven. Dat is echter een omstandigheid die voor rekening van [gedaagde] dient te komen. De verjaring is op 20 augustus 2020 dan ook rechtsgeldig gestuit. Op dat moment is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Deze procedure is binnen die termijn aanhangig gemaakt. De vordering is daarom niet verjaard.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten van € 117,10 betalen
2.10. De incassokosten van € 117,10 (inclusief btw) worden afgewezen, omdat [eiseres] met haar brief van 2 oktober 2023 niet heeft voldaan aan de voorwaarden om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). Die brief heeft [eiseres] namelijk niet gestuurd naar een adres van [gedaagde] dat in de BRP stond, en [gedaagde] betwist dat hij die brief ontvangen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.11. De rente wordt toegewezen, omdat OLGV genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. OLGV stelt in de dagvaarding onweersproken dat de rente tot 11 februari 2025 € 152,66 bedraagt. In de dagvaarding staat daarna onder het kopje "specificatie van de totale vordering" dat de rente is berekend tot "heden", maar gelet op de eerder genoemde datum van 11 februari 2025 gaat de kantonrechter ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving is.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 340 aan griffierecht, € 270 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 823,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat OLGV dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 797,84 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 645,18 vanaf 11 februari 2025 tot aan de dag dat volledig is betaald;
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 823,64;
3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken.
66727