Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14197 - Rechtbank Rotterdam - 2 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14197•2 december 2025
Uitspraak inhoud
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/708084 / HA RK 25-985
Beslissing van 2 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te Spijkenisse,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. E.J. Rutten,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1 De procedure
1.1. Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaak met nummer ROT 23/5257. Die zaak betreft een geschil tussen verzoeker als eiser en de invorderingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW) als verweerder. In die zaak heeft de griffier van de rechtbank bij brief van 29 september 2025 aan verzoeker medegedeeld dat zijn uitstelverzoek voor de zitting van 13 oktober 2025 is afgewezen. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2. Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
1.3. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 november 2025 zijn verschenen verzoeker en de rechter.
2 De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1. Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten of omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 8:16 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht vereist.
2.2. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Verzoeker baseert zijn wrakingsverzoek op de brief van 29 september 2025 van de griffier van de rechtbank.
2.3. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede "zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden" betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Het gaat daarbij om enkele dagen.
2.4. In dit geval is die termijn overschreden. De beslissing om het uitstelverzoek van verzoeker af te wijzen is genomen op 29 september 2025, terwijl het verzoek tot wraking pas door de rechtbank is ontvangen op 9 oktober 2025. Verzoeker heeft op de zitting van de wrakingskamer toegelicht dat hij geen juridische bijstand heeft en dat het indienen van een wrakingsverzoek na een week redelijk is, omdat hij voldoende tijd moet hebben om de wrakingsgronden te formuleren.
2.5. Naar het oordeel van de wrakingskamer rechtvaardigen de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet de te late indiening van het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek kan dan ook niet worden aangemerkt als ingediend "zodra de feiten of omstandigheden (…) bekend zijn geworden". Het verzoek is te laat gedaan.
2.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek.
3 De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. E.J. Rutten.
Deze beslissing is gegeven door mr. K.A. Baggerman, voorzitter, en mr. F. Aukema-Hartog en mr. W.J. de Veld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.