Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14194 - Rechtbank Rotterdam - 27 november 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1419427 november 2025

Uitspraak inhoud

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/708637/ HA RK 25-1021
Beslissing van 27 november 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te Spijkenisse,
hierna te noemen: verzoekster,
bijgestaan door [naam 1],
strekkende tot de wraking van
mr. I.W.M. Laurijssens,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1. Het verzoek van verzoekster, dat door [naam 1] is ingediend, strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer 11748636 GZ 25-5440. Die zaak betreft een verzoek tot wijziging van de mentor van verzoekster. De mondelinge behandeling van dat verzoek heeft op 8 oktober 2025 plaatsgevonden. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2. Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
1.3. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 november 2025 zijn verschenen:

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1. Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten of omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoekster bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
vereist.
2.2. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Verzoekster baseert haar wrakingsverzoek op uitlatingen, gedragingen en beslissingen van de rechter op de zitting van 8 oktober 2025. Op die zitting waren aanwezig verzoekster, bijgestaan door haar begeleider vanuit Simpele Zorg, [naam 2], [naam 1], de beoogde mentor die later op de zitting is verschenen, en de heer Eroglu, begeleider vanuit Profila Zorg.
2.3. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede "zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden" betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Het gaat daarbij om enkele dagen.
2.4. In dit geval is die termijn overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechter hebben zich, indien zij al zouden komen vast te staan, immers voorgedaan op de zitting van 8 oktober 2025, terwijl het verzoek tot wraking pas is ingediend op 19 oktober 2025.
2.5. Verzoekster heeft in haar spreekaantekeningen en op de zitting van de wrakingskamer nader toegelicht dat zij en [naam 1] geen juridische professionals zijn en geen kennis hebben van het indienen van een wrakingsverzoek. Na de zitting van
8 oktober 2025 moest verzoekster wat op de zitting is gebeurd laten bezinken en de gedachten ordenen. Op een gegeven moment kwam [naam 1] iemand tegen die wees op de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen. Toen verzoekster dat advies kreeg, heeft zij het verzoek direct ingediend. In deze gegeven omstandigheden is het indienen van het verzoek na 11 dagen dan ook redelijk te noemen, aldus verzoekster.
2.6. De wrakingskamer constateert dat verzoekster kennelijk direct na de zitting nog geen aanleiding zag om de rechter te wraken vanwege (de schijn van) vooringenomenheid dan wel partijdigheid. Niet is gebleken dat verzoekster na de zitting wel direct juridische hulp heeft gezocht om navraag te doen over het indienen van een wrakingsverzoek. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen daarom niet de late indiening van het wrakingsverzoek. Het pas indienen van het wrakingsverzoek op 19 oktober 2025 kan dan ook niet worden aangemerkt als "zodra de feiten of omstandigheden (…) bekend zijn geworden". Het verzoek is te laat gedaan.
2.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek.
De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van
mr. I.W.M. Laurijssens.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. K.A. Baggerman en W.J. de Veld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.