Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14115 - Rechtbank Rotterdam - 20 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1411520 augustus 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/702449 / JE RK 25-1360
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. El Makhtari, kantoorhoudende in Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 29 juni 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 30 juni 2025.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder bijgestaan door haar advocaat; - de stiefvader; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1].
1.3. Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Engels, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2], tolk in de taal Engels. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek. Hierop is geen reactie gekomen.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2. [minderjarige] woont bij haar moeder en stiefvader.
2.3. Bij beschikking van 14 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 januari 2026.

3 Het verzoek

3.1. De moeder verzoekt primair de ondertoezichtstelling van Brielle op te heffen. De moeder verzoekt subsidiair te bepalen dat de GI uiterlijk binnen een door de rechtbank te stellen termijn schriftelijk en gemotiveerd dient te reageren op de ingediende verzoeken tot beëindiging van de ondertoezichtstelling, op verbeurte van een dwangsom van honderd euro per dag indien zij dit nalaat.
3.2. De moeder handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De afgelopen maanden is de ondertoezichtstelling niet ten uitvoer gelegd. Een ondertoezichtstelling is bedoeld voor situaties waarin ouders hulpverlening niet voldoende accepteren en het kind in de ontwikkeling wordt geschaad. In dit geval willen de ouders juist hulp organiseren, maar worden zij buiten de deur gehouden. Zowel de moeder als de school krijgen geen reactie van de GI op voorstellen voor hulp. Zo heeft de moeder met de stiefvader geregeld dat [minderjarige] therapie kan krijgen bij De Hoop, maar om daarmee te beginnen is toestemming van de GI nodig. Die toestemming is er nog altijd niet, terwijl [minderjarige] daar al lang had kunnen beginnen. Al die tijd staat de ontwikkeling van [minderjarige] stil. De ondertoezichtstelling werkt dus contraproductief. Het welzijn van [minderjarige] is hiermee in gevaar. Anders gezegd stagneert de ontwikkeling van [minderjarige] juist door de ondertoezichtstelling.

4 Het standpunt van de stiefvader

4.1. De stiefvader stemt in met het verzoek. [minderjarige] is mentaal beschadigd en zit met onverwerkte emoties. Zij heeft dringend hulpverlening nodig, maar dit wordt tegengewerkt en er wordt niet geluisterd. De ondertoezichtstelling werkt averechts voor het herstel van [minderjarige], omdat de GI geen noodzaak lijkt te zien om direct hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten.

5 Het standpunt van de GI

5.1. De GI voert verweer tegen het verzoek. Afgelopen maandag heeft een kennismakingsgesprek van de nieuwe jeugdbeschermer met de ouders plaatsgevonden. De situatie heeft lange tijd stilgelegen. Daarom is, overeenkomstig de wens van de moeder en de stiefvader, direct contact gezocht met De Hoop en de Viersprong om te vragen of [minderjarige] daar terechtkan. Er is nog geen reactie ontvangen. Het is de bedoeling om samen met de ouders een plan op te stellen. Zo kan de zorg voor [minderjarige] goed worden georganiseerd en kan zij de benodigde hulpverlening krijgen. De GI begrijpt dat de ouders het gevoel hebben telkens met een nieuwe jeugdbeschermer te maken te krijgen en twijfels hebben over de GI. Deze jeugdbeschermer was graag eerder betrokken geraakt bij [minderjarige] en het gezin. Zij wil hen heel graag helpen. Indien nodig kan een aanhouding van het verzoek worden overwogen. Zo is er voldoende tijd om alles zorgvuldig op te zetten en kan vertrouwen hersteld worden om tot samenwerking te komen met het gezin.

6 De beoordeling

6.1. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen op verzoek van de GI. Alleen wanneer de GI besluit dit niet te verzoeken, kan de Raad voor de Kinderbescherming, de ouder met gezag of de minderjarige van twaalf jaar of ouder het verzoek doen.[1] In dit geval verzoekt de ouder met gezag om opheffing van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. Hiervoor bestaan de volgende redenen.
6.2. [minderjarige] is op 14 januari 2025 onder toezicht gesteld. De ontwikkelingsbedreiging is onverminderd aanwezig. [minderjarige] heeft dringend behoefte aan hulpverlening en therapie. Hoewel een ondertoezichtstelling bedoeld is om die hulp in te zetten, is op dit moment – en al veel langere tijd – geen sprake van feitelijke tenuitvoerlegging van de maatregel. De GI reageert niet op berichten en telefoontjes van de ouders of van de school. Daardoor krijgt [minderjarige] niet de noodzakelijke hulpverlening. De ouders proberen op verschillende manieren de hulpverlening te organiseren, maar worden daarin door de ondertoezichtstelling in feite tegengewerkt. De ouders kunnen immers niet meer op eigen gelegenheid hulp inzetten wanneer er sprake is van een ondertoezichtstelling. Dan is namelijk de GI aan zet. [minderjarige] ontving eerder hulpverlening bij De Hoop. Zowel zij als de ouders wensen dat die hulp daar kan worden hervat. Dit is momenteel echter niet mogelijk, omdat er geen contractuele relatie bestaat tussen De Hoop en de GI. Een alternatief voor de hulp is echter ook niet aangeboden door de GI. Dat betekent dus inderdaad dat de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar is.
6.3. Het is zorgelijk dat een dergelijke situatie lange tijd heeft stilgestaan. De kinderrechter begrijpt dat de situatie eerder is gestagneerd omdat moeder en stiefvader niet op één lijn zaten met de GI voor wat betreft een verblijf van [minderjarige] bij Fier. Daarna is de situatie vastgelopen en niet meer van de grond gekomen. De kinderrechter wil vertrouwen uitspreken in de inzet van de huidige nieuwe jeugdbeschermer. Ter zitting heeft de kinderrechter gezien dat deze jeugdbeschermer goed zou kunnen aansluiten bij het gezin. Dit is echter na zoveel maanden echt een gepasseerd station. Er is geen vertrouwen meer tussen de ouders en de GI. Los daarvan hebben de ouders zélf allerlei hulp georganiseerd waarvan de hoogste tijd is dat die van de grond gaat komen. Deze hulp sluit aan bij wat [minderjarige] zelf eerder aan therapie heeft gekregen. Het is schrijnend dat de ouders moeten wachten op de GI, terwijl zij zoveel zorgen hebben en daarin hun verantwoordelijkheid willen nemen. De kinderrechter ziet dat de ouders bereid zijn en in staat zijn de noodzakelijke zorg en begeleiding voor [minderjarige] zelf te realiseren. Gelet hierop acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat de ondertoezichtstelling wordt opgeheven. De kinderrechter doet dat met ingang van 20 augustus 2025.
6.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:
7.1. heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 20 augustus 2025;
7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:261, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:261, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.