Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14112 - Rechtbank Rotterdam - 20 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1411220 augustus 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/703778 / JE RK 25-1511
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. D.P. Mandema, kantoorhoudende in Maasdijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder; - de vader bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek met haar. [minderjarige] is niet verschenen. Wel heeft de kinderrechter een brief van [minderjarige] gelezen.

2 De feiten

2.1. De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2. [minderjarige] woont haar vader en stiefmoeder.
  1. Het verzoek
3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De opdracht in de vorige beschikking was duidelijk; eerst passende hulpverlening voor [minderjarige] in haar eigen tempo, daarna kijken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder en eventueel tussen de ouders onderling. [minderjarige] staat ingeschreven bij iHub in Den Haag. Voor deze regio is bewust gekozen vanwege kortere wachtlijsten. De intake kan over vier tot acht weken plaatsvinden, waarna [minderjarige] kan starten. In eerste instantie was Mentaal Beter Jong gevonden, maar deze instantie vond de problematiek te complex.

4 Het standpunt van de moeder

4.1. De moeder stemt in met het verzoek voor de volledige duur. [minderjarige] wil de moeder niet zien, maar communiceert belangrijke zaken via WhatsApp. De moeder wil graag deel uitmaken van het leven van [minderjarige], maar voelt onzekerheid over wat op dit moment het beste is; loslaten of niet.

5 Het standpunt van de vader

5.1. Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar voorgesteld om voor kortere duur te verlengen en het overige aan te houden. De vader is het niet eens met de manier waarop de vorige jeugdbeschermers hebben gehandeld. De aandacht lag op het contactherstel met de moeder en niet op het regelen van hulpverlening voor [minderjarige]. In de vorige beschikking is aangegeven dat [minderjarige] eerst passende hulpverlening moet krijgen en daarna in haar eigen tempo kan worden gekeken naar contactherstel. De vader is al ruim twee jaar bezig met het regelen van hulpverlening voor [minderjarige], maar dit komt niet van de grond. De vader had Mentaal Beter Jong geregeld voor [minderjarige], waar zij een intake had. Toen de jeugdbeschermer erbij betrokken raakte, ging dit niet door. Over de huidige jeugdbeschermer is de vader wel tevreden. Hij hoopt de garantie te krijgen dat zij blijft. Wat betreft het contact met de moeder merkt de vader op dat [minderjarige] alle ruimte krijgt om contact met de moeder te hebben, maar ook om haar eigen mening te uiten. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] wordt gerespecteerd in haar mening en eigen wensen.

6 De beoordeling

6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De zorgen zoals omschreven in de beschikking van 23 september 2024 zijn onverminderd aanwezig. Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Eerdere pogingen hebben geen verbetering gebracht. De ouders zitten niet op één lijn en dat is zorgelijk. De kinderrechter vraagt zich af of de moeder zich kan verplaatsen in de belevingswereld van [minderjarige]. Het is moeilijk dat zij geen contact met de moeder wil. Dit contact willen afdwingen of de vader de schuld geven van het uitblijven van contact heeft op geen enkele manier een positief effect. De vader heeft ter zitting in het gesprek met de kinderrechter heel duidelijk laten merken zich bewust te zijn van de psychische en emotionele gevolgen voor [minderjarige] wanneer het contactverlies met de moeder actueel blijft. Tegelijkertijd wil de vader [minderjarige] nergens toe dwingen, omdat ook dat schadelijk is. De vader heeft erop gehamerd dat [minderjarige] hulp nodig heeft. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat hulpverlening voor [minderjarige] het afgelopen jaar (binnen het gedwongen kader) niet van de grond is gekomen, terwijl in de beschikking van 23 september 2024 is benadrukt dat deze hulpverlening moet worden ingezet. Nog steeds geldt dat pas nadat hulpverlening is gestart, kan worden onderzocht of en hoe contactherstel met de moeder aan de orde is. Dit moet hoe dan ook plaatsvinden in het tempo van [minderjarige].
6.3. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, omdat het van groot belang is dat de inzet van hulpverlening niet opnieuw stagneert. Op deze manier kan een vinger aan de pols worden gehouden. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden en houdt het resterende verzoek aan tot 23 maart 2026.
6.4. De GI wordt verzocht om uiterlijk tegen de hierna te noemen pro forma datum de kinderrechter te rapporteren (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. D.P. Mandema) over de huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het aangehouden deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
6.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:
7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 23 maart 2026;
7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.3. houdt de beslissing op het overig verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 februari 2026 pro forma;
7.4. bepaalt dat de GI, de moeder, de vader en zijn advocaat de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
7.5. verzoekt de GI uiterlijk tegen de genoemde pro forma datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek.