Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14103 - Rechtbank Rotterdam - 4 augustus 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14103•4 augustus 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/703729 / JE RK 25-1505
Datum uitspraak: 4 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
**de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,**gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.M. Vélu, kantoorhoudende in Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
1.1. Het procesverloop blijkt uit de spoedbeschikking van 21 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] is niet naar het gesprek met de kinderrechter gekomen en heeft ook niet op een andere manier zijn mening gegeven.
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. Bij beschikking van 28 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 mei 2026.
2.3. Bij beschikking van 21 juli 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 21 juli 2025 tot 18 augustus 2025.
2.4. [minderjarige] verblijft sinds 27 juli 2025 tijdelijk bij zijn opa en oma (vz) in Suriname.
3 Het (aangehouden) verzoek
3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. Bij beschikking van 21 juli 2025 is reeds beslist op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken. Thans dient beslist te worden op het verzoek voor een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 mei 2026.
3.3. De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft in de thuissituatie gewelddadig gedrag vertoond, waarbij de moeder niet in staat was hem te bedwingen. [minderjarige] is meermaals weggelopen en aangetroffen door de politie met een steekwapen. De moeder vindt het lastig voor [minderjarige] te zorgen, mede vanwege de zorg voor haar andere kinderen. De keuze ontstond tussen plaatsing op een groep of verblijf in Suriname bij zijn opa en oma (vz). [minderjarige] wilde aanvankelijk niet naar Suriname, waarna hij werd geplaatst op een crisisgroep. Ook daar is hij weggelopen. Uiteindelijk heeft [minderjarige] ervoor gekozen om naar Suriname te gaan, waar hij sinds 27 juli 2025 verblijft. Collectief is besloten dat [minderjarige] voorlopig in Suriname blijft, totdat er in Nederland een passende school of dagbesteding gevonden is. Indien [minderjarige] zonder school of dagbesteding terugkeert naar Nederland, zal hij zich gaan vervelen, waarbij het risico op zorgwekkend gedrag toeneemt. In Suriname wordt gewerkt aan zijn inschrijving op een school. Een voordeel is dat [minderjarige] tijdelijk uit zijn eerdere omgeving in Rotterdam is, wat mogelijk bijdraagt aan een andere kijk op het leven. De machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht voor de periode nadat [minderjarige] terugkeert naar Nederland.
4 Het standpunt van de moeder
4.1. Door en namens de moeder wordt ingestemd met de machtiging tot uithuisplaatsing, maar voor de duur van zes maanden. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en loopt regelmatig weg. [minderjarige] verkeert in een sociaal netwerk met verkeerde vrienden en is sterk beïnvloedbaar, waardoor hij het gedrag van zijn vrienden overneemt. Het is lastig een school voor hem te vinden, vanwege zijn hoge IQ in combinatie met zijn slechte gedrag. Zijn gedrag wordt versterkt door verveling. [minderjarige] is voor zijn eigen veiligheid naar Suriname gegaan. De moeder is blij dat [minderjarige] momenteel binnen het netwerk verblijft, te weten bij de opa en oma (vz). Er moet nog veel gebeuren voordat [minderjarige] terug kan naar huis.
5 De informant (de vader)
5.1. De vader brengt naar voren dat als school of dagbesteding voor [minderjarige] wordt gevonden, dit wel passend moet zijn. Anders moet [minderjarige] in Suriname blijven.
6 De beoordeling
6.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[1] De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
6.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige] zelfbepalend en agressief gedrag laat zien in de thuissituatie. Hij is meerdere keren weggelopen en dagen vermist geweest. Ook is hij meerdere keren door de politie staande gehouden en droeg een mes bij zich. Er bestaan zorgen dat [minderjarige] zich in een risicovol sociaal netwerk begeeft. Daarnaast gaat [minderjarige] al twee jaar niet meer naar school. De moeder slaagt er onvoldoende in [minderjarige] te begrenzen. Daarom is [minderjarige] op 21 juli 2025 geplaatst op crisisopvang van Enver. Ook vanuit deze opvang is hij weggelopen. In onderling overleg is besloten [minderjarige] tijdelijk te laten verblijven bij zijn opa en oma (vz) in Suriname. Het is onduidelijk voor welke periode dit verblijf zal duren, aangezien dit afhankelijk is van het vinden van een passende school of dagbesteding voor [minderjarige] in Nederland.
6.3. De kinderrechter is van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is, aangezien [minderjarige] bij terugkeer naar Nederland niet terug kan naar huis. De moeder heeft aangegeven dat dit vanwege [minderjarige] gedrag en de zorg voor de andere kinderen niet mogelijk is. Wanneer [minderjarige] terug in Nederland is, zal gekeken moeten worden wat nodig is om een terugplaatsing mogelijk te maken. Voor de komende periode acht de kinderrechter het van belang dat [minderjarige] tot rust kan komen in Suriname en daar eventueel met school kan starten, zodat in de tussentijd in Nederland gezocht kan worden naar een passende school of dagbesteding voor hem.
6.4. De kinderrechter ziet aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere periode dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden. Op dit moment is namelijk niet duidelijk hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen rondom het verblijf van [minderjarige] . Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen. De kinderrechter wijst erop dat de machtiging tot uithuisplaatsing, indien deze niet ten uitvoer wordt gelegd, van rechtswege vervalt drie maanden na de datum van afgifte. In dit geval betekent dat de machtiging vervalt op 18 november 2025, indien deze voor die datum niet ten uitvoer is gelegd.
6.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
7.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 februari 2026;
7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten