Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14102 - Rechtbank Rotterdam - 31 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1410231 juli 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/702248 / JE RK 25-1330
Datum uitspraak: 31 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.R. van Laar, kantoorhoudende in Arnhem,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Metin, kantoorhoudende in Arnhem.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam oma] ,
pleegmoeder, zijnde de oma moederszijde, hierna te noemen: de oma.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 juni 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door mr. M. Metin, die waarnam voor mr. S.R. van Laar; - de vader bijgestaan door mr. M. Metin; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] ; - de oma.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven de oma.
2.3. Bij beschikking van 4 februari 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 februari 2026.
2.4. Bij beschikking van 27 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma, verlengd tot 4 augustus 2025.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het politieonderzoek zal naar verwachting nog zeker zes maanden duren, terwijl er eigenlijk geen tijd is om te wachten. Daarom vindt er volgende week een overleg plaats met Veilig Thuis, de politie en de GI om de stand van zaken te bespreken. Er moet duidelijkheid komen over de veiligheid van de kinderen bij de ouders, wat momenteel niet kan worden ingeschat. De vertrouwensarts heeft aangegeven dat het letsel bij [minderjarige 2] eigenlijk niet anders kan zijn dan toegebracht letsel. Maar ouders kunnen niks doen aan de vertraging; zij werken overal aan mee. Het gezin is aangemeld voor het NIKA-traject, maar de wachtlijst bedraagt vijf tot zes maanden. Voor het KSCD geldt eveneens een wachtlijst, en daar is nog geen aanmelding gedaan. Ook andere vormen van gezinsondersteuning kennen lange wachttijden, waardoor de ouders en de kinderen de dupe zijn. Ambulante spoedhulp is overwogen, maar omdat de situatie niet als crisis wordt gezien, kan deze hulp niet worden ingezet. Video-interactiebegeleiding is beoordeeld, maar uiteindelijk niet passend bevonden. Voor een gezinsopname is een verwijzing van de huisarts nodig. De huisarts heeft de ouders twee organisaties voor gezinsopname doorgeven, die de ouders aan de GI zouden doorgeven. Desgevraagd geeft de GI aan dat zij graag mee gaat naar de neuroloog, maar dat de afspraak daar net geweest is. De GI heeft de neuroloog gemaild met de toestemming van de ouders, maar de neuroloog heeft (nog) niet geantwoord. De door de ouders gesuggereerde organisaties zijn door de GI doorgegeven aan zorgbemiddeling. Probleem is dat er wachtlijsten zijn of dat de organisaties niet in deze regio zitten. De GI vindt dat zorgbemiddeling ook breder moet kijken, gezien die wachtlijsten.

4 Het standpunt van de ouders

Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd. Uit eerdere beschikkingen blijkt dat het politieonderzoek niet kan worden afgewacht vanwege de jonge leeftijd van de kinderen. Desondanks handelt de GI afwachtend. De GI had langs kunnen gaan om de interactie tussen de ouders en de kinderen te observeren of mee kunnen gaan naar de neuroloog om informatie te verkrijgen. Daarnaast had de GI andere vormen van opvoedondersteuning kunnen onderzoeken, zoals Lelie Zorggroep, Sensazorg of YouSense. Wat betreft de verwijzing voor een gezinsopname: na de vorige zitting hebben de ouders direct contact opgenomen met de huisarts voor een doorverwijzing. Omdat de ouders zelf hun hulpvraag niet wisten, zou de huisarts contact opnemen met de GI. De huisarts heeft aan de ouders organisaties voor gezinsopname doorgegeven, die de ouders aan de GI hebben doorgegeven. Desgevraagd weten de ouders niet meer hoe die organisaties heten. De GI heeft vervolgens geen actie ondernomen. In de stukken staat dat Enver van mening is dat een neutrale plaatsing meer zicht geeft op de kinderen, maar uit een e-mailbericht van Enver blijkt dat zij geen neutraal pleeggezin adviseren. Mocht het verzoek worden toegewezen, dan wordt verzocht de machtiging voor een zo kort mogelijke duur te verlengen, waarbij in deze periode de opvoedvaardigheden van de ouders in kaart worden gebracht en een plan van aanpak wordt opgesteld. De situatie mag niet langer stilstaan.

5 De informant (de oma)

De oma geeft aan dat er geen stappen worden gezet omdat alles stilstaat, terwijl de kinderen hun ouders nodig hebben. Al meerdere keren is verzocht om het vierogenprincipe af te bouwen, maar telkens wordt als antwoord gegeven dat dit niet veilig zou zijn. Met [minderjarige 1] is echter niets aan de hand, en hij zou toch op z'n minst moeten kunnen buitenspelen met zijn ouders in de buurt van de woning van de oma. De oma heeft dit in mei al gevraagd aan de GI.

6 De beoordeling

6.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.[1]
6.2. Er bestaat nog steeds grote onduidelijkheid over het ontstaan van het ernstige letsel bij [minderjarige 2] . Zoals overwogen in de beschikking van 4 februari 2025 bestaat dit letsel uit hersenschade, ribfracturen aan beide zijden en bloeduitstortingen in beide ogen. De vertrouwensarts heeft toentertijd aangegeven dat vrijwel zeker sprake is van toegebracht letsel. De ouders ontkennen dat zij hier een rol in hebben gespeeld. De ouders dragen de verantwoordelijkheid voor de jonge en kwetsbare kinderen, maar zij kunnen niet verklaren hoe het letsel bij [minderjarige 2] is ontstaan. Het politieonderzoek hiernaar loopt nog steeds en er is ook nu nog steeds geen enkel zicht op de afronding.
6.3. Daarnaast ontbreekt ook nog steeds zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders. Dit valt de ouders niet te verwijten. Zij werken overal aan mee, maar lopen bij vele instanties tegen lange wachtlijsten aan. In de voornoemde beschikking van 4 februari 2025 en in de beschikking van 27 mei 2025 is bepaald dat zo spoedig mogelijk passende hulpverlening moet worden ingezet en dat daartoe het politieonderzoek niet mag worden afgewacht, gezien de lange en ongewisse duur daarvan. Inmiddels zijn opnieuw twee maanden verstreken zonder dat er vooruitgang lijkt te zijn geboekt. Voor een NIKA-traject en het KSCD bestaan lange wachtlijsten. De huisarts heeft organisaties voor gezinsopname aan de ouders doorgegeven. De ouders weten de namen niet meer en de GI heeft op dit punt geen actie ondernomen.
6.4. Ten gevolge van vorenstaande stagneert de voortgang. Een uithuisplaatsing dient in beginsel gericht te zijn op terugplaatsing van de kinderen. Zeker bij zeer jonge kinderen moet voortvarend gehandeld worden. De kinderrechter is van oordeel dat er met spoed een concreet plan moet zijn, opgesteld in overleg met de ouders, waaruit het beleid en de concrete uitvoering blijken ter zake van het zicht krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders en de veiligheid van de kinderen bij hen.
6.5. Op dit moment kan de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders – wegens ontbrekende informatie – niet worden gegarandeerd. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma, opnieuw verlengen. De verlenging is voor kortere duur dan verzocht, te weten tot 4 november 2025, in verband met het ontbreken van voornoemd concreet plan. Voor de komende periode is het van belang dat zowel de GI als de ouders actief aan de slag gaan en niet langer blijven afwachten. De GI dient met spoed actie te ondernemen om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders en hun interactie met de kinderen. De ouders moeten, samen met de GI, actiever op zoek naar een instelling die een gezinsopname kan organiseren; de ouders mogen hierin geen afwachtende houding aannemen.
6.6. Nu de kinderen al langere tijd uit huis zijn geplaatst en de GI weinig voortvarend lijkt te handelen naar aanleiding van verzoeken om uitbreiding van de omgang, is de kinderrechter van oordeel dat vanaf nu de omgang met [minderjarige 1] uitgebreid moet worden. De GI heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan dat in strijd met de belangen van [minderjarige 1] zou zijn. De ouders mogen de komende twee weken een half uur per week onbegeleid omgang hebben met [minderjarige 1] . De daaropvolgende twee weken dient dit uitgebreid te worden naar elk van die twee weken drie kwartier en vervolgens elke week minimaal een uur, tot aan de volgende zitting. Hierbij geldt dat de ouders [minderjarige 1] ophalen bij de oma, dat de ouders altijd samen blijven met [minderjarige 1] en dat zij hem weer veilig terugbrengen bij oma. Onder regie van de GI kan deze omgang uitgebreid worden.
6.7. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de hierna vermelde zittingeen verslag te doen toekomen aan de rechtbank (met afschrift daarvan aan de belanghebbenden en de advocaten) over de stand van zaken op dat moment. De kinderrechter verzoekt de GI haar stellingen duidelijk en bij voorkeur met brondocumenten te onderbouwen.
6.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verwijzing naar de meervoudige kamer
6.9. Gezien de aard en complexiteit van de nog te nemen beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de kinderrechter het verzoek voor verdere behandeling en beslissing verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

7 De beslissing

De kinderrechter:
7.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma moederszijde, tot 4 november 2025;
7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.3. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en verwijst het verzoek voor verdere behandeling en beslissing naar de meervoudige kamer;
7.4. bepaalt dat het verhoor van de GI, de belanghebbenden en de advocaten in deze zaak door de meervoudige kamer op maandag 27 oktober 2025 om11:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125**;**
7.5. de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, tevens voorzitter, en twee nader bekend te maken kinderrechters;
7.6. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en de advocaten.
7.7. verzoekt de GI uiterlijk 20 oktober 2025 een verslag aan de rechtbank te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaten;
7.8. gelast de oproeping van de oma als informant.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.