Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14099 - Rechtbank Rotterdam - 22 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1409922 juli 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701954 / JE RK 25-1300
Datum uitspraak: 22 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Daarbij waren aanwezig: - de ouders bijgestaan door mr. M.S. Krol waarnemend voor mr. F. Pool; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3. De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 4] , pleegzorgbegeleidster van Enver.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft bij oom en tante (mz).
2.3. Bij beschikking van 29 april 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 29 juli 2025.
2.4. Bij beschikking van 9 mei 2025 is een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] in het ziekenhuis gevolgd door plaatsing in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oom en tante (mz), tot 29 juli 2025.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De ouders van [minderjarige] worden als liefdevol ervaren en er is sprake van een goede interactie tussen hen en [minderjarige] . Bij [minderjarige] is echter sprake geweest van fors letsel en het is nog onduidelijk hoe dit is ontstaan. Uit medisch onderzoek is gebleken dat de botbreuken niet het gevolg zijn van een onderliggende ziekte. Er volgt op verzoek van de ouders nog een derde medisch onderzoek. Sinds [minderjarige] verblijft bij zijn oom en tante (mz), zijn er geen nieuwe botbreuken geconstateerd. De meest aannemelijke oorzaken blijven een ongeval of toegebracht letsel. De Raad is bezorgd dat de ouders [minderjarige] hiervoor niet hebben kunnen beschermen. Het politieonderzoek loopt nog, waarbij de ouders op dit moment als enige verdachten worden beschouwd.

4 Het standpunt van de GI

4.1. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Enerzijds loopt er een politieonderzoek waarin de ouders als verdachten worden aangemerkt, anderzijds ziet de GI twee zeer betrokken ouders. Er zijn meerdere observaties uitgevoerd, die allemaal positief waren. De GI kan zich niet voorstellen dat de ouders [minderjarige] opzettelijk letsel zouden hebben toegebracht. De GI overwoog daarom een terugplaatsing met inzet van ambulante hulpverlening. De Raad acht dit echter nog te vroeg. Er is ook gekeken naar de mogelijkheid van een gezinsopname, maar iHub acht deze zaak daarvoor niet geschikt. De GI deelt deze conclusie niet en geeft de voorkeur aan een gezinsopname in combinatie met een NIKA-traject. Nu de gezinsopname vooralsnog niet van de grond is gekomen, dient het beleid opnieuw te worden vastgesteld. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de oorzaak van de botbreuken mogelijk nooit zal worden achterhaald. Ook in dat scenario zal moeten worden bepaald op welk moment en onder welke voorwaarden een terugplaatsing mogelijk is. In dat kader zou het hanteren van een vierogenprincipe op termijn passend kunnen zijn.

5 Het standpunt van de ouders

5.1. Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. [minderjarige] heeft twee liefdevolle ouders die goed op hem reageren. De kraamzorg, de huisarts en het kinderdagverblijf hebben allen bevestigd geen zorgen te hebben over de ouders en de pleegzorgmedewerker spreekt positief over de omgangsmomenten tussen de ouders en [minderjarige] . De ouders delen de zorgen over de botbreuken van [minderjarige] . De toedracht van het letsel is onduidelijk en de ouders doen er alles aan om hier duidelijkheid over te krijgen. Zij zijn zelf naar het ziekenhuis gegaan en hebben herhaaldelijk aan de bel getrokken, maar zijn telkens weggestuurd. Daarnaast hebben zij een second opinion gevraagd en aangedrongen op een bredere medische beoordeling dan tot nu toe is uitgevoerd. Voor de hechting van [minderjarige] is het van belang dat hij zo spoedig mogelijk terugkeert naar de ouders. Een terugplaatsing kan worden gerealiseerd door het opstellen van een veiligheidsplan, het inzetten van ambulante hulpverlening en het toepassen van het vierogenprincipe. De ouders zijn bereid hieraan mee te werken. Daarnaast is er een betrokken netwerk dat ondersteuning kan bieden, onder meer door te overnachten bij de ouders, zodat het vierogenprincipe gewaarborgd is. Indien het verzoek van de Raad niet wordt afgewezen, wordt verzocht de maatregelen slechts voor een kortere duur toe te wijzen.

6 De beoordeling

6.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[2]
6.2. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd vanwege de zorgen over zijn fysieke veiligheid in de thuissituatie bij de ouders. Bij [minderjarige] is fors letsel geconstateerd, waaronder vierentwintig botbreuken en diverse blauwe plekken. Hiervoor hebben de ouders geen verklaring kunnen geven. Daarom verblijft [minderjarige] sinds 9 mei 2025 bij zijn oom en tante (mz) en wordt nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek is gebleken dat het letsel niet het gevolg is van een onderliggende medische aandoening. Gezien de aard en ernst van het letsel wordt het meest aannemelijk geacht dat het letsel is toegebracht. De ouders zijn als verdachten aangemerkt in het politieonderzoek. De inzet van de jeugdbeschermer is de komende periode noodzakelijk om de benodigde hulpverlening voor de ouders en [minderjarige] in te zetten en de ontwikkeling van [minderjarige] te volgen.
6.3. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van zes maanden.
6.4. Gelet op het voorgaande dient de machtiging uithuisplaatsing vooralsnog te worden gecontinueerd. De kinderrechter acht evenwel een kortere termijn passend, te weten tot 22 oktober 2025. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] het immers van groot belang dat de hechting met de ouders zo min mogelijk wordt verstoord en de uithuisplaatsing zo kort mogelijk duurt. Het contact tussen [minderjarige] en de ouders dient, waar mogelijk en verantwoord, te worden uitgebreid. De GI zal de komende maanden onderzoeken wat er nodig is voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, met inzet van hulpverlening en het netwerk, zodat de veiligheid van [minderjarige] blijvend gewaarborgd is. Het resterende deel van het verzoek wordt daarom aangehouden.
6.5. De kinderrechter verzoekt de Raad om vóór 30 september 2025 een briefrapportage te doen toekomen (met afschrift daarvan aan belanghebbenden) omtrent de huidige stand van zaken.
6.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:
7.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 22 juli 2025 tot 22 januari 2026;
7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 juli 2025 tot 22 oktober 2025;
7.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de ouders en hun advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. S. Riege van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 7 oktober 2025 om 16:00 uurteneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
7.5. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
7.6. verzoekt de GI vóór 30 september 2025 de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.