Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14084 - Rechtbank Rotterdam - 3 juli 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:140843 juli 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700175 / JE RK 25-1041
Datum uitspraak: 3 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de (stief)vader, wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 mei 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 23 mei 2025.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2025. Daarbij was een vertegenwoordiger van de GI, [naam] , aanwezig.
1.3. De moeder en de (stief)vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3. Bij beschikking van 11 september 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 22 september 2025.
2.4. De GI heeft op 30 april 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:
'' [naam moeder] dient mee te werken aan het dwangkader van de aanwezige jeugdbeschermingsmaatregel, opgelegd door de rechtbank Rotterdam. [naam moeder] is bereikbaar en beschikbaar voor de GI en de ingezette hulpverlening volgens afspraak.''

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Op 6 februari 2025 zijn afspraken gemaakt met de moeder. De moeder leek gemotiveerd om mee te werken. Dit was het laatste contactmoment voor een langere periode. Bij toeval troffen de GI en de leerplichtambtenaar haar eind mei/begin juni thuis aan. Toen zijn opnieuw afspraken gemaakt, maar daarna is wederom niets van de moeder vernomen. Ook Pameijer en school krijgen geen contact met de moeder. Hoewel er geen grote zorgen zijn over de kinderen, is het zorgelijk dat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie en de kinderen grotendeels op zichzelf aangewezen zijn. Pameijer heeft de begeleiding inmiddels on hold gezet, maar is bereid deze te hervatten als de moeder daartoe bereid is. De GI verzoekt om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing om de moeder in beweging te krijgen. De GI heeft twee bereidwillige ouders nodig en dient voldoende zicht op de thuissituatie te hebben om de ondertoezichtstelling goed uit te kunnen voeren. In dat kader is contact tussen de moeder en de GI noodzakelijk. Het gaat de GI erom dat er eens in de vier weken een contactmoment is met de moeder.

4 De beoordeling

4.1. Op grond van artikel 1:263, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt met dan wel niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, lid 1, van de Jeugdwet. De GI kan ook een schriftelijke aanwijzing geven indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing.
4.2. De schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: "Awb"). Hieruit volgt dat de kinderrechter moet beoordelen of de aanwijzing van de GI volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.
4.3. Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waartoe pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking van (één van) de ouders niet door overleg en overreding kan worden bereikt. De aanwijzing mag niet in strijd zijn met het recht (waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en moet in elk geval het doel van de ondertoezichtstelling dienen. In dit licht dient beoordeeld te worden of het besluit van de GI zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. Dit betreft een ex nunc (in het hier en nu) beoordeling waarbij de rechter rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden.
4.4. Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. De GI heeft aanzienlijke inspanningen geleverd om in contact te komen met de moeder, maar dit is – op twee momenten na – niet gelukt. In samenspraak met de ouders is door de GI een plan van aanpak gemaakt, en daar kan niet goed aan worden gewerkt als de moeder niet meewerkt en niet in contact blijft met de GI. Er is sprake van een ondertoezichtstelling en daarmee van hulpverlening in een gedwongen kader. Daar moet de moeder aan meewerken. De GI stelt hierin geen onredelijke eisen: gevraagd wordt om een maandelijks contactmoment met de GI. Dat is wel het minimale wat van de moeder kan worden verlangd. De afspraak met Pameijer, als die weer betrokken raakt, zou wekelijks zijn. In het belang van de kinderen acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de moeder bereikbaar is voor de GI, de afspraken nakomt en meewerkt aan de afgesproken hulpverlening. Alleen dan kan er voldoende zicht komen op de thuissituatie en beoordeeld worden of de ontwikkelingsbedreiging afneemt. Indien de moeder bereid is tot samenwerking en de situatie verbetert, kan dit mogelijk leiden tot het afronden van de ondertoezichtstelling en een overdracht naar het vrijwillige kader. Dan zal de betrokkenheid van de GI niet langer nodig zijn.
4.5. Gelet op het voorgaande bekrachtigt de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing.

5 De beslissing

De kinderrechter:
5.1. bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 30 april 2025.