Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14079 - Rechtbank Rotterdam - 30 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1407930 juni 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701096 / JE RK 25-1168
Datum uitspraak: 30 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ([geboorteland]), hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon - of verblijfplaats.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, zonder vaste woon - of verblijfplaats.

1 Het verloop van de procedure

1.1. Het procesverloop blijkt uit:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2025. Daarbij waren aanwezig: - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3. De ouders zijn niet verschenen. De GI heeft aangegeven dat de ouders via een WhatsApp bericht hebben laten weten niet aanwezig te zullen zijn.

2 De feiten

2.1. Er zijn gerede twijfels of de vader en de moeder daadwerkelijk de ouders van [minderjarige] zijn; vooralsnog gaat de kinderrechter ervan uit dat de moeder het ouderlijk gezag heeft over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3. Bij beschikking van 9 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 9 januari 2026. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 juli 2025.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het laatste omgangsmoment tussen de ouders en [minderjarige] heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. De GI heeft sindsdien meerdere pogingen ondernomen om in contact te komen met de ouders, maar dit is slechts in beperkte mate gelukt via WhatsApp. De ouders reageren niet op inhoudelijke vragen. [minderjarige] beschikt nog niet over een BSN-nummer. Zij heeft bovendien plekjes in haar mond, maar er is toestemming van de ouders nodig om haar door een huisarts te laten onderzoeken.

4 De beoordeling

4.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[1] De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
4.2. [minderjarige] is op 9 juli jl. uit huis geplaats, omdat haar ouders onvoldoende in staat waren te voorzien in haar basisbehoeften. In de periode daarna hebben begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden tussen [minderjarige] en haar ouders, die goed verliepen. Ondanks het goede verloop van de omgangsmomenten, heeft het laatste bezoek op 27 februari 2025 plaatsgevonden. Sindsdien is er ook geen inhoudelijk contact meer geweest tussen de GI en de ouders, afgezien van enkele WhatsApp-berichten. Het ontbreekt de GI aan zicht op de verblijfplaats en de leefsituatie van de ouders. Daarnaast bestaan er bij de GI serieuze twijfels over de vraag of de ouders daadwerkelijk de (biologische) ouders van [minderjarige] zijn. Het ziekenhuis waarvan de ouders stellen dat [minderjarige] daar is geboren, heeft haar niet in het systeem staan. De GI werd doorverwezen naar twee andere ziekenhuizen in verband met een mogelijke vergissing, maar ook daar is [minderjarige] niet geregistreerd. Gelet op het uitblijven van contact, het ontbreken van informatie en de genoemde twijfels kunnen de ouders op dit moment niet in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] voorzien. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat zij nog in het pleeggezin blijft. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4.3. Voor de komende periode is het van belang dat inspanningen worden voortgezet om in contact te komen met de ouders en om een DNA-test bij hen af te nemen, zodat kan worden vastgesteld of zij de (biologische) ouders van [minderjarige] zijn.
4.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:
5.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 januari 2026;
5.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.