Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:14068 - Rechtbank Rotterdam - 24 juli 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:14068•24 juli 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/698528 / JE RK 25-833
Datum uitspraak: 24 juli 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Daniels, kantoorhoudende in Utrecht,
[naam stiefmoeder],
hierna te noemen: de stiefmoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. Op 16 juli 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - de vader (telefonisch aanwezig) met zijn advocaat; - de stiefmoeder; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].
1.3. Halverwege de zitting heeft de vader de telefonische verbinding met de rechtbank verbroken. De rechtbank heeft de vader opnieuw gebeld, maar er werd niet meer opgenomen door de vader.
1.4. De rechtbank heeft [minderjarige] (wederom) uitgenodigd voor een gesprek. Er heeft geen nieuw gesprek met haar plaatsgevonden op de rechtbank. In plaats daarvan wilde de stiefmoeder ter zitting een (kopie van een) brief overhandigen aan de rechtbank. Daarbij gaf zij aan dat deze brief door [minderjarige] is geschreven. De rechtbank heeft geen kennis genomen van de brief, omdat niet duidelijk is of de inhoud van de brief afkomstig is van [minderjarige] zelf, zonder betrokkenheid van volwassenen om haar heen. Desgevraagd door de voorzitter is tijdens het telefoongesprek door de vader aangegeven dat de originele brief eerder naar de rechtbank zou zijn gestuurd per aangetekende post. Door de rechtbank is deze brief niet ontvangen. De door de stiefmoeder aan de rechtbank overgelegde - kopie van - de brief is geretourneerd.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2. [minderjarige] woont bij de vader en de stiefmoeder.
2.3. De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 1 september 2025. Bij afzonderlijke beschikking van 23 april 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag zich onbevoegd verklaard om van het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank.
2.4. Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de beslissing op het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangehouden en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
3 Het aangehouden verzoek
3.1. De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling – dus tot
1 september 2025 – en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige] moet op een neutrale plek worden geplaatst waar zij kan herstellen van haar trauma's en hechtingsbreuken en waar daarnaast kan worden gewerkt aan het verbeteren van de verstoorde relatie met de moeder. Alleen vanuit een neutrale plek kan uitvoering worden gegeven aan alle behandeladviezen die er liggen. De GGZ-psycholoog, de speltherapeut, Middin en de school maken zich ernstige zorgen om [minderjarige]. Er is echter een gebrek aan medewerking aan de zijde van de vader, omdat hij alle (eerder betrokken) hulpverleners niet vertrouwt en [minderjarige] volgens hem geen problemen heeft. Tot nu toe is er helaas nog steeds geen duidelijkheid over de plek waar [minderjarige] kan worden geplaatst als de machtiging tot uithuisplaatsing zou worden verleend. Het is voor [minderjarige] van groot belang dat zij op een haar passende plek kan worden geplaatst. Aanstaande maandag staat er een intake gepland bij Jeugdformaat. Beide ouders zijn uitgenodigd om daarbij aan te sluiten. Naar aanleiding van die intake zal Jeugdformaat onderzoeken of zij een plek hebben die 'matcht' met [minderjarige]. Naast Jeugdformaat staan er nog een aantal andere opties open, maar de beschikbare plekken zijn schaars. Wat het lastig maakt, is dat veel organisaties vragen om aanvullende informatie, zoals een raadsrapport of gezinsplan, en de GI die informatie in het kader van privacy niet met iedereen kan delen. De vader en de stiefmoeder weigeren hun medewerking. De GI blijft zoeken naar een passende plek voor [minderjarige] en neemt geen genoegen met een crisisplek. [minderjarige] is een heel gevoelig, kwetsbaar en beïnvloedbaar meisje. De GI begrijpt dat het voor [minderjarige] traumatisch kan zijn als zij te horen zou krijgen dat zij uit huis zal worden geplaatst en dat bovendien nog niet duidelijk is wanneer dat zal gebeuren. Tegelijkertijd ziet de GI een meisje dat al heel lang in onzekerheid verkeert. Een uithuisplaatsing kan betekenen dat er een aantal spreekwoordelijke stappen achteruit moet worden gezet, maar dat is nodig om vervolgens weer flinke stappen vooruit te kunnen zetten.
Met de moeder heeft de GI goed contact. Er is sprake van samenwerking en afstemming. Met de vader en de stiefmoeder is er na de vorige zitting op 17 juni 2025 geen (direct) contact geweest. Wel heeft de advocaat van de vader namens hen een keer of drie telefonisch contact gehad met de GI. Ook is er geen contact geweest met [minderjarige]. De GI schat in dat een dergelijk contact op dit moment te belastend zou zijn voor [minderjarige]. Zij vindt het lastig om met de GI in gesprek te gaan, omdat zij de GI ziet als onderdeel van de hulpverlening waar zij negatief tegenaan kijkt. [minderjarige] wordt daarin beïnvloed door de vader en de stiefmoeder. De advocaat van de vader heeft de GI gevraagd "hoe de zaak een beetje lucht kan krijgen". Daarop heeft de GI aangegeven dat de vader de gegevens van de huisarts van [minderjarige] moet delen, dat de vader zelf aan zijn informatieplicht moet voldoen en dat de vader zelf bij alle afspraken rondom [minderjarige] moet verschijnen – dat is immers zijn plicht als ouder – in plaats van dat steeds over te laten aan de stiefmoeder. De stiefmoeder heeft voorgesteld om belcontact tussen [minderjarige] en de moeder op gang te brengen. Gelet op de problematiek van [minderjarige], de houding van de vader tegenover de moeder en het feit dat [minderjarige] al een tijd geen contact heeft met de moeder, verwacht de GI dat belcontact met de moeder op dit moment voor [minderjarige] slechts negatief zal uitpakken.
4 De standpunten
4.1. Namens en door de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder hoopt voor [minderjarige] dat er duidelijkheid komt. Deze onduidelijkheid duurt al veel te lang. Zij moet de hulp krijgen die zij zo hard nodig heeft, zodat zij zich zelfstandig kan ontwikkelen tot een gelukkige, stabiele volwassene. Het is belangrijk dat zij gelukkig kan zijn. Daarnaast moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige]. Al veel te lang wordt [minderjarige] weggehouden van haar moeder maar ook van haar overige familie en vrienden. De GI probeert bergen te verzetten om een goede plek voor [minderjarige] te vinden. Hopelijk brengt de intake van aanstaande maandag daarin meer duidelijkheid. De samenwerking met de GI is goed en de moeder stemt haar (re)acties richting [minderjarige] af met de jeugdbeschermer. De moeder houdt de deur open voor [minderjarige], maar bewaart op dit moment gepaste afstand in het belang van [minderjarige] om haar niet nog meer onder druk te zetten.
Maandelijks ontvangt de moeder een bericht van de vader in het kader van de informatieregeling. Deze berichten zijn helaas zeer beperkt van inhoud en geven amper informatie over [minderjarige] maar worden niet meer door [minderjarige] geschreven. Dat is fijn, want dat betekent dat zij daar niet meer mee wordt belast.
4.2. Namens en door de vader is verweer gevoerd tegen de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing. Primair verzoekt de vader het verzoek van de GI af te wijzen. De GI had eerder actie moeten ondernemen. Daarbij is het risico op beschadiging van [minderjarige] bij een uithuisplaatsing reëel. Subsidiair verzoekt de vader de behandeling van het verzoek aan te houden in afwachting van verdere ontwikkelingen. Naar aanleiding van de "huiswerkopdrachten" die de kinderrechter had meegegeven in de beschikking van
17 juni 2025, hebben de vader en de stiefmoeder de GI een mail gestuurd met de gegevens van de huisarts. Daar is vanuit de GI geen reactie op gekomen. Vervolgens heeft de advocaat van de vader contact opgenomen met de GI. Voor de vader is niet duidelijk waar [minderjarige] hulp voor nodig heeft. Het is niet aan de GI om te bepalen of [minderjarige] hulp nodig heeft, de huisarts gaat daar over. De psycholoog van GGZ Delfland, Middin en de Raad voor de Kinderbescherming zijn, aldus de vader, omgekocht door de GI.
De vader heeft geen contact met de moeder. De vader vindt de moeder een psychopaat en wil niet met haar in gesprek. De moeder krijgt maandelijks een bericht van de vader met antwoorden op de drie verplichte vragen die gaan over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarmee doet hij wat van hem wordt gevraagd.
4.3. De stiefmoeder heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader en de stiefmoeder hebben voldaan aan wat de GI hen gevraagd heeft. Het was correct geweest als de GI had laten weten dat zij het e-mailbericht goed had ontvangen. Er kwam echter geen terugkoppeling; dan houdt het op. De moeder draagt niet echt iets bij in het leven van [minderjarige]. Zij heeft door haar eigen problematiek niet de moeder voor [minderjarige] kunnen zijn die zij had moeten zijn. Dat is vervelend. Thuis wordt nauwelijks gesproken over de moeder. De vader en de stiefmoeder hebben altijd tegen [minderjarige] gezegd dat zij het hen moet vertellen als zij contact wil met de moeder. [minderjarige] wil dat niet en daarom houdt het op.
5 De beoordeling
5.1. Op basis van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[1]
5.2. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de dertienjarige [minderjarige]. Vermoed wordt dat zij in de thuissituatie bij de vader en de stiefmoeder niet de (emotionele) ruimte en vrijheid ervaart om zichzelf te mogen ontwikkelen en zichzelf te zijn. Ook zijn er grote zorgen over het complete contactverlies met de moeder. [minderjarige] heeft al drie jaar geen contact met de moeder. De vraag is of [minderjarige] werkelijk geen behoefte heeft aan contact met de moeder, of dat zij zich niet vrij genoeg voelt om aan te geven dat zij dat contact wel wil, of dat zij in een omgeving leeft die zo van invloed is op haar innerlijk leven dat het contactverlies met haar moeder daarvan een gevolg is. Uit het dossier volgt dat de vader en de stiefmoeder zich negatief uitlaten over de moeder en ook ter zitting doet de vader zeer negatieve uitspraken over de moeder. Bovendien betrekt de vader de moeder niet bij beslissingen over [minderjarige], zoals de verhuizing en de middelbare schoolkeuze, zelfs niet na een schriftelijke aanwijzing van de GI, terwijl dat wel zou moeten aangezien de moeder mede met het gezag over [minderjarige] is belast. Het is voorstelbaar dat de houding van de vader (en de stiefmoeder) jegens de moeder zijn weerslag heeft op de beleving van [minderjarige] en haar beeld van haar moeder. Daarnaast is het meer dan zorgelijk dat [minderjarige] door de vader en de stiefmoeder wordt onttrokken aan de voor haar noodzakelijk geachte hulpverlening. Hoewel door meerdere eerder betrokken instanties, te weten GGZ Delfland, Middin, FamilySupporters en de Raad voor de Kinderbescherming, nadrukkelijk wordt geadviseerd om hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten, blijft de vader stellig ontkennen dat [minderjarige] hulp nodig heeft. De vader meent dat de genoemde hulpverleningsinstanties zijn omgekocht door de GI. Voor contact met de GI staat de vader niet open. Tekenend bij dit alles acht de rechtbank ook het feit dat blijkbaar in de afgelopen periode een kindje, desgevraagd wilde de stiefmoeder niet vertellen of dit een jongen dan wel meisje is, is geboren in het gezin van de vader en de stiefmoeder; hierover is niets gedeeld. De vader houdt zich in feite van alle betrokkenheid afzijdig en verschijnt niet op afspraken die betrekking hebben op [minderjarige].
Tussen de GI en de moeder is sprake van contact en goede samenwerking.
5.3. Eerder, bij beschikking van 17 juni 2025, is door de kinderrechter in deze rechtbank overwogen dat de huidige situatie compleet is vastgelopen en dat het niet is gelukt een beweging ten positieve voor [minderjarige] te realiseren. De rechtbank constateert dat dit ruim een maand later – ondanks de "huiswerkopdrachten" die de kinderrechter aan de GI en de ouders had meegegeven – helaas niet anders is.
5.4. Volgens de GI is het noodzakelijk dat [minderjarige] op een plek verblijft waar zij trauma - en gehechtheidsbehandeling kan ondergaan en waar zij kan leren wie zij zelf is. Het is noodzakelijk voor haar ontwikkeling dat zij ook weet wie haar familie aan beide zijden is, zodat er gewerkt kan worden aan een leefomgeving waarin zij zichzelf kan herkennen. De plek waar dit gefaciliteerd kan worden, is echter nog niet gevonden. Ten tijde van de zitting was de GI nog hard op zoek naar een passende plek voor [minderjarige] en moest de uitgebreide intake bij Jeugdformaat nog plaatsvinden. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing nu noodzakelijk is in het belang van [minderjarige]. De rechtbank overweegt dat zolang [minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder woont, zij niet de hulp krijgt die zij zo hard nodig heeft en niet toekomt aan haar eigen ontwikkelingstaken. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toe voor de duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank vertrouwt erop dat de GI, rekening houdend met de impact van deze beslissing, een geschikt moment kiest voor de overgang van [minderjarige] naar een voor haar geschikte gezinsgerichte voorziening, conform het stappenplan zoals dat eerder is overgelegd.
5.5. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 24 juli 2025 tot 1 september 2025;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten