Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:14001 - Rechtbank Rotterdam - 1 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:140011 december 2025

Uitspraak inhoud

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709915 / KG ZA 25-1118
Vonnis in kort geding van 1 december 2025
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. A.J. van der Duijn Schouten,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van eiser de voorzieningenrechter op 28 november 2025 – voor zover van belang – het volgende bericht:
"(…) Zojuist bereikte mij het bericht dat de heer [gedaagde] vanmorgen alsnog de volmacht heeft ondertekend. Onder die omstandigheden heeft het geen nut om de hoofdvordering te handhaven, maar cliënt wenst de vordering betreffende de proceskosten wel te handhaven. Graag verneem ik of daarvoor een verschijning in persoon noodzakelijk is, of dat dit bericht volstaat. (…)".
1.3. Het Bureau Voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft naar aanleiding van dit bericht telefonisch contact opgenomen met de advocaat van eiser. Tijdens dat telefoongesprek is namens de voorzieningenrechter – kort gezegd – medegedeeld dat de mondelinge behandeling doorgaat en dat het aan partijen is of zij daarbij aanwezig willen zijn. Tijdens de mondelinge behandeling is vervolgens niemand verschenen.

2 De beoordeling

2.1. De voorzieningenrechter verleent verstek tegen gedaagde. Gedaagde is namelijk niet verschenen in de procedure, terwijl bij zijn oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd.
2.2. De voorzieningenrechter begrijpt uit het bericht van de advocaat van eiser van 28 november 2025 dat eiser zijn hoofdvordering niet langer handhaaft. Dit betekent dat alleen de vordering tot vergoeding van de proceskosten nog moet worden beoordeeld.
2.3. Voor het antwoord op de vraag of gedaagde de proceskosten van eiser moet vergoeden, is bepalend of de oorspronkelijke hoofdvordering om gedaagde te veroordelen om mee te werken aan de toedeling of levering van een woning toewijsbaar was. Die vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en het spoedeisend belang dat eiser bij die vordering had, volgt uit de stellingen in de dagvaarding.
2.4. Dit betekent dat de oorspronkelijke hoofdvordering toewijsbaar was. Gedaagde moet daarom moet de proceskosten van eiser (inclusief nakosten) vergoeden. De proceskosten van eiser worden begroot op: - dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 715,00 (tarief verstekzaak) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.369,45
2.5. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.6. De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar de wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1. verleent verstek tegen gedaagde;
3.2. veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.369,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra aan eiser betalen, plus de kosten van betekening;
3.3. veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4. verklaart de veroordelingen in 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
3349 / 3194