Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:12388 - Rechtbank Rotterdam - 24 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:12388•24 september 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/705390 / JE RK 25-1724 en C/10/541268 / FA RK 17-10463
Datum uitspraak: 24 september 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling, het ouderlijk gezag en de vaststelling van een omgangsregeling
in de zaken van
ten aanzien van zaaknummer C/10/705390 / JE RK 25-1724
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
en
ten aanzien van zaaknummer C/10/541268 / FA RK 17-10463
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.E. de Jong uit Zoeterwoude,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende in beide zaken aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.Z. Peters, kantoorhoudende te Zoetermeer,
De rechtbank merkt in zaaknummer 705390 ook als belanghebbende aan:
de vader, voornoemd;
De rechtbank merkt in zaaknummer 541268 ook als belanghebbende aan:
de GI, voornoemd.
In zijn raadgevende en/of adviserende rol is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/705390 / JE RK 25-1724
9 september 2025; - het aanvraagformulier beslissingsondersteunende diagnostiek voor het Kennis - en Servicecentrum voor diagnostiek (hierna te noemen: het KSCD), tijdens de zitting overhandigd.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/541268 / FA RK 17-10463
5 september 2025; - het aanvraagformulier voor het KSCD, voornoemd.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3. Bij beschikking van 18 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 3 oktober 2025.
2.4. Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft de rechtbank de bij beschikking van
1 november 2024 bepaalde voorlopige omgangsregeling uitgebreid, in die zin dat de vader met ingang van 1 augustus 2025 om de week gedurende twee uur semi-begeleide omgang heeft met [minderjarige] , dat deze omgang in beginsel plaatsvindt op dinsdagmiddag en dat de verdere invulling van de omgangsmomenten wordt overgelaten aan de GI. Het overig verzochte is aangehouden.
3 De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van zaaknummer C/10/705390 / JE RK 25-1724
3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/541268 / FA RK 17-10463
3.2. De vader verzoekt, na wijziging en aanvulling van zijn verzoek, voor zover hier van belang,
3.3. De moeder verzoekt bij zelfstandig verzoek de vader de omgang te ontzeggen, dan wel subsidiair de omgang te laten plaatsvinden via een omgangshuis, omdat zij vreest dat omgang een ernstig nadeel voor de ontwikkeling van [minderjarige] kan opleveren.
4 De standpunten
4.1. De GI
De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is - mede door de aanhoudende echtscheidingsproblematiek tussen de ouders - nog onverminderd aanwezig. Daarbij is nog steeds geen sprake van onbelaste omgang tussen [minderjarige] en de vader. Zo is de omgang op 9 september 2025 om onduidelijke redenen niet doorgegaan. Het lukt de ouders niet om de zorgen zonder de inzet van hulpverlening weg te nemen. Om te onderzoeken welke hulpverlening voor [minderjarige] , de moeder en de vader het meest passend is, moet een KSCD-onderzoek plaatsvinden. Dit onderzoek wordt al langere tijd voorbereid, maar is door verschillende redenen tot op heden niet gestart. Zo kon de aanvraag voor een lange periode niet worden ingediend, omdat de moeder deze niet ondertekende. Toen de moeder de aanvraag uiteindelijk had ondertekend, kon deze niet meer door het KSCD in behandeling worden genomen vanwege het tijdsverloop. Op 3 september 2025 is daarom opnieuw een aanvraag ingediend. De wachtlijst bedraagt momenteel vijf tot zes maanden. De betrokkenheid van de GI is de komende periode nog nodig om het KSCD-onderzoek doorgang te laten vinden en vervolgens passende hulpverlening in te zetten voor [minderjarige] , de moeder en de vader. Daarbij is van belang dat, hoewel de advocaten van de ouders tot en met december 2025 een schema hebben gemaakt voor de verdere omgangsmomenten, de GI actief regie gaat voeren om erop toe te zien dat de door de rechtbank vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader daadwerkelijk plaatsvindt en dat tussen de omgangsmomenten geen pauzes ontstaan. Continuïteit in de afspraken is voor [minderjarige] heel belangrijk. Ook is van belang dat direct na elk omgangsmoment een verslag wordt gemaakt, dat met de ouders wordt gedeeld. De omgang tussen [minderjarige] en de vader wordt voor nu nog begeleid door de jeugdbeschermer. Het is de bedoeling dat dit wordt overgenomen door Coachpoint, die de omgangsmomenten ook in het weekend zou kunnen begeleiden. Hiertoe moet nog een intake plaatsvinden. Ook zal de GI verder navraag gaan doen bij de school van [minderjarige] , aangezien de moeder melding maakt van een onverklaarbare forse verlaging van het advies voor vervolgonderwijs voor [minderjarige] .
4.2. De moeder
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Over het algemeen gaat het goed met [minderjarige] . Hij heeft op school veel vriendjes en speelt graag buiten. Voor, tijdens of na omgangsmomenten met de vader is [minderjarige] echter heel boos. Hij vraagt dan aan de moeder waarom niemand naar hem luistert, maar de moeder kan aan de omgangsmomenten niets veranderen. Zij werkt hier juist aan mee en is bereid om alle inzet van hulpverlening aan te nemen. De advocaten van de ouders hebben hiertoe tot en met december 2025 zelf een schema gemaakt, omdat de nodige regie vanuit de GI ontbrak. Het klopt dat de moeder en [minderjarige] op de eerste afspraak, te weten op 9 september 2025, niet zijn verschenen. Dit kwam echter door een misverstand en niet door onwil van de moeder. Het is duidelijk dat [minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder vraagt zich echter af of de betrokkenheid van de GI hierin nog helpend kan zijn, te meer wanneer de omgang tussen [minderjarige] en de vader zal worden begeleid door Coachpoint. Een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom niet nodig. Door en namens de moeder wordt verzocht het verzoek van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen, dan wel toe te wijzen voor een kortere periode en het overig verzochte aan te houden. Daarnaast wordt door en namens de moeder verzocht het verzoek van de vader over gezag en omgang in zijn geheel aan te houden tot in deze zaak meer informatie beschikbaar is. Als beide verzoeken (deels) worden aangehouden, kunnen deze in het vervolg opnieuw gezamenlijk ter zitting worden behandeld.
4.3. De vader
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] wordt nog steeds in zijn ontwikkeling bedreigd en er is nog steeds geen sprake van onbelaste omgang tussen [minderjarige] en de vader. De afgelopen periode zijn hierin helaas nog steeds weinig tot geen positieve stappen gezet. Wel hebben de advocaten van de ouders tot en met december 2025 zelf een schema gemaakt voor de verdere omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader. Het had toch duidelijk moeten zijn dat er op 9 september 2025 omgang zou plaats vinden. Het is van belang dat de afgesproken omgangsmomenten daadwerkelijk plaatsvinden en dat voor gemiste omgangsmomenten een vervangende datum wordt gepland. De betrokkenheid van de GI is hierbij de komende periode van belang, om te voorkomen dat [minderjarige] en de vader elkaar helemaal niet meer zien. Daarbij kan de GI erop toezien dat het KSCD-onderzoek eindelijk doorgang krijgt, zodat duidelijk wordt welke hulpverlening voor [minderjarige] , de moeder en de vader passend en nodig is. Door en namens de vader wordt daarom verzocht het verzoek van de GI over de verlenging van de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van een jaar, dan wel voor een kortere periode en het overig verzochte aan te houden. Daarnaast wordt door en namens de vader verzocht het verzoek van de vader over gezag en omgang in zijn geheel aan te houden, tot in deze zaak meer informatie beschikbaar is. De vader mist [minderjarige] en hoopt op verbetering van de situatie. Het belang van [minderjarige] staat nummer één.
4.4. De Raad
De Raad adviseert om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, in afwachting van het KSCD-onderzoek, het uitbreiden van de omgang tussen [minderjarige] en de vader en de intake bij Coachpoint. Het is van belang dat het onderzoek door het KSCD zo spoedig mogelijk wordt gestart en doorlopen, zodat stappen vooruit voor [minderjarige] kunnen worden gezet.
5 De beoordeling
Ten aanzien van zaaknummer C/10/705390 / JE RK 25-1724
5.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat er nog steeds geen onbelaste omgang tussen hem en de vader bestaat. Het is van belang dat hierin zo snel mogelijk verandering komt en dat stappen vooruit worden gezet. Zo moet het KSCD-onderzoek zo snel mogelijk starten, zodat duidelijk wordt welke hulpverlening voor [minderjarige] , de moeder en de vader passend is. Daarnaast moet de begeleiding van Coachpoint gaan starten. In de tussentijd moeten de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader structureel en consequent plaatsvinden en, indien niet in strijd met de belangen van [minderjarige] , onder regie van de GI ook uitgebreid worden. Er moet regelmaat en daarmee vertrouwen in de omgang tussen vader en zoon ontstaan. Hiermee wordt het belang van [minderjarige] het meest gediend. Duidelijk wordt immers uit het evaluatieverslag dat [minderjarige] zich, naarmate het contact regelmatiger verloopt, beter kan ontspannen en tot werkelijk contact met de vader kan komen. De betrokkenheid van de GI (en Coachpoint) is hierbij de komende periode nodig. Wel is het van groot belang, zoals ook ter zitting is besproken en toegezegd door de GI, dat de GI waar het gaat om de belangen van [minderjarige] beter de regie gaat voeren en dat met de ouders beter en transparanter wordt gecommuniceerd. Zo maken beide ouders zich ook zorgen over de schijnbaar onverklaarbare verlaging van het advies voor vervolgonderwijs voor [minderjarige] ; de GI heeft toegezegd hier nadere informatie over in te winnen.
5.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De rechtbank ziet wel aanleiding om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht, zodat tussentijds een vinger aan de pols kan worden gehouden. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom verlengen tot 3 mei 2026 en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
5.3. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/541268 / FA RK 17-10463
5.4. Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn beide ouders. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van lid 2 van genoemd artikel een omgangsregeling vaststellen.
5.5. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader de afgelopen periode niet verder zijn uitgebreid, ondanks de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van
18 juni 2025. Hierin moeten eerst verdere stappen worden gezet, voordat de voorlopige omgangsregeling door de rechtbank verder kan worden uitgebreid en/of een beslissing kan worden genomen over de definitieve omgangsregeling en het gezag over [minderjarige] , zoals door de vader is verzocht. Dit staat overigens niet in de weg aan uitbreiding van de omgang onder regie van de GI, indien de GI (en Coachpoint) hiervoor geen belemmeringen zien, zoals hiervoor onder punt 5.1. vermeld.
5.6. In ieder geval moeten de resultaten van het KSCD-onderzoek worden afgewacht. Om die reden zal de rechtbank de behandeling van het verzoek in zijn geheel aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum, voor zover hierop nog niet is beslist. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI, de ouders en hun advocaten de komende periode actief gaan samenwerken, zodat daadwerkelijk verdere stappen kunnen worden gezet.
5.7. De rechtbank verzoekt de GI en de advocaten van de ouders om uiterlijk een week voor de hierna te noemen pro forma datum in beide zaken de rechtbank te informeren over de stand van zaken op dat moment. De rechtbank verwacht hierbij ten minste de volgende informatie te ontvangen:
6 De beslissing
De rechtbank:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/705390 / JE RK 25-1724
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 mei 2026;
6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. houdt het overig verzochte aan tot 1 december 2025 pro forma;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/541268 / FA RK 17-10463
6.4. houdt de behandeling van de zaak aan tot 1 december 2025 pro forma;
en alvorens verder te beslissen:
6.5. bepaalt dat de GI, de moeder, de vader, mr. D.Z. Peters, mr. L.E. de Jong en de Raad op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6. verzoekt de GI, mr. D.Z. Peters en mr. L.E. de Jong om uiterlijk een week voor de genoemde pro forma datum de sub 5.7. verzochte briefrapportage (met bijlagen) te doen toekomen, met afschrift aan de overige belanghebbenden.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:260 BW. - - - ## Voetnoten