Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:11893 - Rechtbank Rotterdam - 13 augustus 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:11893•13 augustus 2025
Uitspraak inhoud
Team jeugd
Zaaknummer: C/10/704847 / JE RK 25-1656
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[mninderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [mninderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon - of verblijfplaats,
advocaat mr. Ch.J. Nicolaï, kantoorhoudende te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad.
1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 8 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2. Op 13 augustus 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat, samen per videobelverbinding aanwezig; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3. De Raad is als gevolg van een misverstand niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de Raad wel juist is opgeroepen.
1.4. Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Roemeense taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Roemeense taal. De tolk heeft, alvorens haar taak aan te vangen, op de bij de wet voorgeschreven wijze, de belofte afgelegd dat zij haar taak naar haar geweten zal vervullen.
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [mninderjarige] .
2.2. [mninderjarige] verblijft samen met de moeder in het Sophia Kinderziekenhuis.
2.3. Bij beschikking van 18 juli 2025 is [mninderjarige] , toen nog ongeboren, voorlopig onder toezicht gesteld tot 18 oktober 2025.
2.4. Bij beschikking van 8 augustus 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in het ziekenhuis verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 8 augustus 2025, en is het overige deel van het verzoek aangehouden.
3 Het aangehouden verzoek
3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in het ziekenhuis voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. Over de duur van twee weken is bij beschikking van 8 augustus 2025 al beslist. Hierop moeten partijen nog worden gehoord. Daarnaast dient nog een beslissing genomen te worden over het overige deel van het verzoek.
4 De standpunten
4.1. De GI handhaaft ter zitting het aangehouden verzoek en licht dit als volgt toe. Na de geboorte van [mninderjarige] is de GI in gesprek gegaan met de moeder. De moeder is duidelijk en wil graag zelf voor [mninderjarige] zorgen. Momenteel is dat nog niet mogelijk. De moeder was dakloos en is verslaafd en zij heeft op dit moment nog geen recht op sociale voorzieningen in Nederland. De GI heeft een aanmelding gedaan bij Centraal Onthaal. Er dienen WMO-voorzieningen te worden aangevraagd. Om de moeder met [mninderjarige] te kunnen plaatsen in een moeder-kindhuis dient de moeder een jaar abstinent te zijn. De GI acht daarom de organisatie Brijder een passende overbruggingsplek. Hier kan de moeder samen met [mninderjarige] voor de duur van negen maanden verblijven, waarbij tegelijkertijd ook gewerkt wordt aan de opvoedvaardigheden van de moeder. Op dit moment staat de moeder bovenaan de wachtlijst; de eerste plek die open valt is voor haar. Wel dient Antes toestemming te geven. Het is nog onduidelijk op welke termijn de moeder samen met [mninderjarige] naar de Brijder kan, waardoor een machtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in een pleeggezin nodig is. De GI is voornemens om gedurende het verblijf in het pleeggezin twee keer per week een begeleid omgangsmoment tussen [mninderjarige] en de moeder te organiseren.
4.2. Door en namens de moeder wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek van de GI. Het gaat goed met [mninderjarige] en de moeder. De moeder wil het liefst zo snel mogelijk een eigen woning waar zij samen met [mninderjarige] kan gaan wonen, maar ze begrijpt dat hiervoor tijd nodig is. Op dit moment is het beter als [mninderjarige] in het pleeggezin kan verblijven, zodat hij de zorg krijgt die hij nodig heeft en de moeder de ruimte krijgt om haar leven op orde te krijgen. De moeder verblijft op dit moment nog op een speciale afdeling in het Erasmus Medisch Centrum (EMC), maar zal vanmiddag teruggaan naar de kliniek van Antes. Ook zullen de pleegouders vanmiddag kennis komen maken met [mninderjarige] . Bij de moeder is geen sprake van een psychiatrische stoornis, waardoor de advocaat er vertrouwen in heeft dat Antes toestemming zal geven voor het verblijf bij Brijder. Wel twijfelt de moeder over het verblijf bij Brijder. Zij vindt negen maanden lang. De moeder geeft aan dat zij inmiddels zeven weken abstinent is.
5 De beoordeling
5.1. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding dat [mninderjarige] nog uit huis geplaatst blijft.[1]
5.2. Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in het ziekenhuis verleend voor de duur van twee weken. Het verzoek is toen voor het overige aangehouden, omdat er op dat moment onduidelijkheid bestond over het mogelijke voortgezette verblijf van de moeder in het EMC, samen met [mninderjarige] . Ter zitting is duidelijk geworden dat de moeder vandaag zal terugkeren naar Antes, waar zij eerder verbleef. De moeder is bekend met verslavings - en psychische problematiek en was/wordt middels een zorgmachtiging opgenomen bij Antes. [mninderjarige] verblijft momenteel nog in het Sophia Kinderziekenhuis en de kinderrechter acht het in het belang van [mninderjarige] noodzakelijk dat hij, zodra hij het ziekenhuis mag verlaten, een stabiele en veilige opvoedomgeving zal hebben. De moeder is op dit moment nog niet in staat om de verzorging en opvoeding van [mninderjarige] op zich te nemen. Zij verblijft bij Antes en is pas 7 weken abstinent. Daarnaast beschikt zij niet over een vaste woonplek. Het is ook noodzakelijk dat er allerlei praktische zaken geregeld worden. Hiervoor heeft de GI de moeder aangemeld bij Centraal Onthaal.
5.3. Het is op dit moment nog onduidelijk op welke termijn de moeder samen met [mninderjarige] bij Brijder kan gaan verblijven. Hoewel de moeder bovenaan de wachtlijst staat, is er nog geen bed beschikbaar en is de toestemming van Antes hiervoor vereist. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij – na rijp beraad – achter de plaatsing van [mninderjarige] in het pleeggezin kan staan, ondanks dat zij het liefst zelf voor [mninderjarige] wil zorgen. De moeder onderkent dat zij hulp nodig heeft om goed voor [mninderjarige] te kunnen zorgen.
5.4. Gelet op het bovenstaande, verleent de kinderrechter een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in het ziekenhuis, gevolgd door een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 18 oktober 2025. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
5.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verleent een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [mninderjarige] in het ziekenhuis, gevolgd door een plaatsing in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 13 augustus 2025 tot uiterlijk 18 oktober 2025;
6.2. verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). - - - ## Voetnoten