Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2024:8559 - Rechtbank Rotterdam - 11 juli 2024

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2024:855911 juli 2024

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682169 / JE RK 24-1447
Datum uitspraak: 18 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling: - het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2024; - de e-mail van de moeder van 15 juli 2024.
1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij was aanwezig: - een vertegenwoordiger van de GI, mw. [persoon A] .
De moeder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 augustus 2023 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 augustus 2024.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4 De standpunten

4.1. De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Op 5 juli jl. heeft de GI overleg gehad met Enver over het gezin. Er was GGZ-hulp aangevraagd voor de kinderen, maar dat kon niet starten vanwege het onrustig ouderschap. Ook Ouderschap Na Scheiding (ONS) is gestagneerd. Enver zal daarom intern overleggen wat zij wel aan hulpverlening kunnen bieden. De vader heeft zijn volledige medewerking verleend aan ONS, maar de moeder kwam afspraken niet na, enerzijds vanwege haar werk en anderzijds vanuit haar angst voor de vader. De angst bij de kinderen wordt versterkt door de angst van de moeder. De GI heeft echter geen meldingen vanuit de politie of VeiligThuis ontvangen over de vader.

5 De beoordeling

5.1. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden nog ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Ondanks een vastgestelde omgangsregeling, vindt er sinds eind 2022 geen omgang meer plaats tussen de kinderen en hun vader. Zowel moeder als de kinderen geven aan zeer angstig te zijn voor de vader. De angst bij de kinderen lijkt te worden versterkt door de angst van de moeder. Het afgelopen jaar is geprobeerd ONS van Enver in te zetten, maar dit traject is gestagneerd omdat de moeder onvoldoende meewerkt. Andere trajecten om de communicatie tussen de ouders te verbeteren zijn niet ingezet. Ook concludeert de kinderrechter dat er de afgelopen twee jaar nauwelijks is ingezet op contactherstel tussen de vader en de kinderen, terwijl er geen objectieve feiten of omstandigheden vastgesteld zijn waaruit kan worden afgeleid dat de angsten van de moeder gegrond zijn. De GI bevestigt immers dat er geen politie - of VeiligThuis-meldingen bekend zijn, maar heeft niet onderzocht in hoeverre de vrees van de moeder voor de vader anderszins terecht kan zijn. Toch is de omgang van de kinderen met de vader stil komen te liggen. Dat is zonder duidelijke aanwijzing dat zij bij de vader niet veilig zijn, niet in hun belang. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat er het afgelopen jaar te weinig is gebeurd. Het komende jaar moet de GI dan ook alles op alles zetten om contactherstel tussen de vader en de kinderen op gang te brengen en al hetgeen daarvoor in te zetten wat nodig is. Wanneer de moeder haar medewerking niet of onvoldoende verleent, behoort de GI zich daar niet zonder meer bij neer te leggen, zoals nu het geval lijkt te zijn.
5.3. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).

6 De beslissing

De kinderrechter:
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 4 augustus 2025;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.