Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2024:14122 - Rechtbank Rotterdam - 27 mei 2024
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2024:14122•27 mei 2024
Uitspraak inhoud
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/612071 / FA RK 21-620
Beschikking van 27 mei 2024 over het ouderlijk gezag, hoofdverblijf/ de regeling van de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken (zorgregeling) dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (omgangsregeling)/ het hoofdverblijf/ de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A. Ellenbroek te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.H. Weermeijer-Patist te Leiden.
met betrekking tot de inmiddels jongmeerderjarige:
[jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ;
en de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] .
1 De verdere procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Buiten de termijn heeft de man de volgende stukken overgelegd: - het bericht met bijlagen van 19 april 2024.
De rechtbank zal deze stukken buiten beschouwing laten.
1.3. De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
22 april 2024. Daarbij zijn verschenen:
1.4. De minderjarige heeft op 11 augustus 2021 zijn mening kenbaar gemaakt en is op verzoek van de raad, bij brief van de rechtbank van 24 april 2024, nogmaals in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2 De verdere beoordeling
2.1. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 januari 2022 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [jongmeerderjarige] bij de vrouw zal zijn. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak ten aanzien van het ouderlijk gezag over de minderjarigen en de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling.
Daarnaast is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderbijdrage aangehouden in afwachting van het verweerschrift van de man tegen dit verzoek.
De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van voornoemde onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.2. Ingetrokken verzoeken
2.2.1. De vrouw heeft haar verzoeken tot wijziging van het gezag en de zorgregeling met betrekking tot [jongmeerderjarige] ingetrokken. De rechtbank wijst deze verzoeken af.
2.3. Het gezag
2.3.1. De vrouw handhaaft haar verzoek tot wijziging in het gezag, in die zin, dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en zij alleen met het gezag wordt belast over [minderjarige] .
2.3.2. De man voert gemotiveerd verweer.
2.3.3. Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:251n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien een van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
2.3.4. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
2.3.5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat er al langere tijd geen omgang meer is tussen d eman en [minderjarige] .
2.3.6. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd, in die zin dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Het is partijen ondanks het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling niet gelukt hun onderlinge communicatie te verbeteren. Tussen partijen is er nauwelijks overleg mogelijk, zodat zij niet in staat zijn aan het gezamenlijk gezag invulling te geven. Er is geen zicht op verbetering. De vrouw verzorgt [minderjarige] en zij beslist feitelijk alleen over zijn opvoeding. De rechtbank is het met de raad eens dat het ouderlijk gezag meer inhoudt dan het geven van noodzakelijke toestemmingen als het gaat om gezaghoudende beslissingen over de minderjarige. Het goed kunnen uitvoeren van het gezag vereist ook een bepaalde betrokkenheid in het leven van de minderjarige, waarvan tussen de man en [minderjarige] al langere tijd geen sprake meer is. Nu de man aangeeft dat hij hierin verandering zou willen brengen, maar dat de bal hiervoor bij [minderjarige] ligt, acht de rechtbank het niet te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd verandering in komt.
2.4. De zorgregeling/ omgangsregeling
2.4.1. Omdat het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag wordt toegewezen, wordt hierna gesproken van een omgangsregeling.
2.4.2. Partijen zijn in het ouderschapsplan, door hen ondertekend op 12 augustus 2013, een omgangsregeling overeengekomen in de vorm van een co-ouderschap die vanaf
11 augustus 2021 niet meer wordt nagekomen.
2.4.3. De vrouw verzoekt uiteindelijk wijziging van de omgangsregeling, in die zin dat de invulling hiervan aan [minderjarige] wordt gelaten.
2.4.4. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.4.5. De rechtbank wijst het verzoek overeenkomstig het advies van de raad toe, omdat dit verzoek niet is weersproken en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de verzochte regeling verzet.
2.5. De kinderbijdrage/ bijdrage in het levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige
2.5.1. De rechtbank begrijpt uit de door de vrouw overgelegde machtiging van [jongmeerderjarige] dat zij hiermee heeft bedoeld te verzoeken om voor [jongmeerderjarige] een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vast te stellen van € 50, - per maand met ingang van
4 augustus 2023. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat een oude machtiging betreft en dat er een nieuwe machtiging is opgesteld, waarin wordt verzocht een bijdrage voor levensonderhoud en studie vast te stellen van € 250, - per maand.
2.5.2. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek slechts drie loonstroken van 2021 overgelegd die nauwelijks leesbaar zijn en hierbij geen standpunten ingenomen over de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook wat betreft [jongmeerderjarige] heeft de vrouw de behoefte van de jongmeerderjarige niet onderbouwd. Ook nadat de man (zij het zeer summiere) inkomensgegevens heeft overgelegd, heeft de vrouw haar stellingen en onderbouwing van het verzoek hierop niet aangepast. De financiële stukken die de vrouw in 2023 heeft ingediend bevatten ook geen nadere stellingen en onderbouwing. Hiermee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.
2.6. Proceskosten
2.6.1. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3 De beslissing
De rechtbank:
3.1. beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vrouw toekomt;
3.2. bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
3.3. wijzigt het ouderschapsplan door partijen ondertekend op 12 augustus 2013, in die zin dat de invulling van de omgangsregeling aan [minderjarige] wordt gelaten;
3.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.6. wijst af het meer of anders verzochte.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.