Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2024:14119 - Rechtbank Rotterdam - 29 november 2024

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2024:1411929 november 2024

Uitspraak inhoud

Team straf 1
Parketnummer: 10.192210.24
Datum uitspraak: 29 november 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum ] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
raadsman mr. E. Kaya, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 november 2024.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N.J. Jacobs heeft gevorderd:

4 Waardering van het bewijs

4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 3)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2. Overwegingen t.a.v. feit 1 en feit 2
4.2.1. Standpunt officier van justitie
De onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde straatroven kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Uit het dossier volgt dat op 9 juni 2024 omstreeks 23:15 uur [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1) en omstreeks 18:51 uur [slachtoffer 3] (feit 2) met geweld zijn beroofd. De gestolen spullen zijn dezelfde avond aangetroffen in de tuin van de oom van de verdachte. De verdachte moet die avond twee keer in de tuin zijn geweest, om 19:30 uur en rond 23:30 uur, dus kort na de berovingen. De officier van justitie wijst daarbij op de verklaringen van [getuige 1] , die de verdachte heeft herkend, en van [getuige 2] en [getuige 3] . Ook heeft de verdachte om 19:30 uur zijn oom gebeld om te vragen of hij voor de [medeverdachte] een scooter in de tuin mocht stallen en heeft hij tussen 00:09 en 01:03 uur nog acht keer zijn oom gebeld. Daarnaast heeft de verdachte op diezelfde avond dertien keer telefonisch contact gehad met [medeverdachte] , waaronder kort voor en na de straatroven. De telefoon van de [medeverdachte] straalt rond het tijdstip van de straatroven aan op zendmasten nabij de plaatsen delict. Ook de telefoon van de verdachte straalt om 18:44 en 19:10 uur aan op een zendmast binnen het bereik van de plaats delict (feit 2). De mastgegevens sluiten daarnaast niet uit dat de verdachte ook bij de tweede straatroof op de plaats delict aanwezig kan zijn geweest en aansluitend op de Dubbelstraat (feit 1).
Mocht de rechtbank het primair tenlastegelegde niet bewezen achten dan geldt in ieder geval dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde helingen in vereniging. Het staat immers buiten kijf dat de verdachte wist of had moeten weten dat de scooters en toebehoren gestolen waren. Omstreeks 19:30 uur is door [getuige 1] namelijk het rommelen en krassen op en aan de scooter gezien, hetgeen verder gaat dan het kenteken verwijderen. Rond 23:30 uur werd door [getuige 2] een gesprek in de tuin gehoord waarin o.a. werd gezegd 'tellie moet weg' en 'heb je wapens bij je'. De gestolen spullen lagen verspreid in de tuin en de verdachte wist dan ook van de aanwezigheid van deze spullen.
4.2.2. Standpunt verdediging
Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1 en 2. De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de ten laste gelegde straatroven en helingen, en ook uit het dossier blijkt geen enkele betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten. De verdachte heeft slechts in goed vertrouwen de tuin van zijn oom ter beschikking gesteld aan een vriend om diens scooter daar korte tijd te stallen. Van de aanwezigheid van meer scooters was hij niet op de hoogte.
4.2.3. Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte bij de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde berovingen als mededader betrokken is geweest. Daartoe is het volgende redengevend.
Op 10 juni 2024 omstreeks 00:35 uur werden in de tuin van de oom van de verdachte aan de [adres 2] een drietal scooters aangetroffen, waarvan twee zonder kentekenplaten. Een van die scooters, een Peugeot Speedfight 4 zwart met kenteken [kenteken 1] , behoorde toe aan [slachtoffer 3] . Hij was de avond ervoor (om 18:51 uur) onder meer van die scooter op de Wantijdijk te Dordrecht beroofd. Daarnaast zijn in de tuin en de schuur eigendommen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangetroffen, waarvan zij diezelfde avond (omstreeks 23:15 uur) op de Baanhoekweg te Dordrecht waren beroofd.
Is de verdachte aanwezig geweest bij de berovingen?
De [getuige 1] herkent de verdachte als een van de jongens die op 9 juni 2024 omstreeks 19:30 uur in de tuin aan de [adres 2] aanwezig was en heeft verklaard dat de jongens op dat moment bezig waren met het 'krassen' aan de achterzijde van een scooter. De verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij daar toen samen met [medeverdachte] net een scooter had neergezet en dat hij erbij was toen er aan de achterzijde van de scooter gekrast werd. Hoewel daarmee vastgesteld kan worden dat de verdachte dus een kwartier na de beroving van [slachtoffer 3] aanwezig is geweest in de tuin van zijn oom, waar later ook daadwerkelijk de scooter van [slachtoffer 3] met scootersleutel en helm werden aangetroffen, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte bij de beroving van [slachtoffer 3] aanwezig moet zijn geweest.
Daar waar de officier van justitie de aanwezigheid van de verdachte bij de beroving mede afleidt uit het feit dat de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte niet uitsluiten dat hij ten tijde van deze beroving op de plaats delict heeft kunnen zijn, acht de rechtbank dit voor het bewijs van zijn aanwezigheid ter plekke onvoldoende. Daarmee kan immers niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte toen ook daadwerkelijk op de plaats delict aanwezig is geweest.
Evenmin kan, zoals de officier van justitie aanneemt, op basis van het dossier worden vastgesteld dat de verdachte heeft geweten of moet hebben geweten dat later die avond, rond 23:30 uur, nog meer scooters in de tuin aan de [adres 2] zijn neergezet. De verdachte ontkent dit namelijk en de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben rond dat tijdstip weliswaar meerdere personen met bivakmutsen in de tuin gezien en gehoord, maar hebben niet gezien wie dit waren. Ook anderszins is niet gebleken dat de verdachte rond dat tijdstip nog in de tuin is geweest of op andere wijze van de aanwezigheid van andere scooters op de hoogte is geraakt. Verder ontbreken ook hier concrete aanknopingspunten in het dossier waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de verdachte aanwezig is geweest op de plaats waar de beroving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] rond 23:15 uur heeft plaatsgevonden.
De officier van justitie heeft in dat kader nog gewezen op de telefonische contacten die de verdachte op desbetreffende avond met zijn oom en de [medeverdachte] heeft gehad. Hoewel het zeker opmerkelijk is dat de verdachte kort voor en kort na de berovingen dertien keer telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte] , ondersteunt dit de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict niet. Ook het feit dat de verdachte zijn oom die avond nog heeft gebeld om te vragen of hij de tas van [medeverdachte] uit een scooter in de tuin wilde halen roept vragen op, maar ook hieruit kan geen directe betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde berovingen worden afgeleid.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde berovingen.
Is de verdachte betrokken bij de heling van de scooter(s)?
De rechtbank is ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde heling van de scooter van [slachtoffer 3] van oordeel dat de verdachte dit feit met een ander of anderen heeft gepleegd.
De verdachte verklaarde ter terechtzitting hierover dat [medeverdachte] hem had gevraagd zijn scooter een halfuur tot een uur te mogen parkeren in de tuin van de oom van de verdachte. Waarom dat überhaupt nodig was heeft [medeverdachte] hem echter niet verteld.
Hoewel de verdachte had gezegd het aan zijn oom te zullen vragen, durfde hij dat niet meer toen hij eenmaal bij zijn oom binnen was. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte toen al wist dat het wegzetten van die scooter geen zuivere koffie was. De verklaring van de verdachte dat hij het zijn oom niet durfde te vragen omdat er ook kinderen in huis waren die misschien op de scooter zouden gaan zitten, acht de rechtbank erg ongeloofwaardig.
Pas nadat [medeverdachte] was blijven aandringen heeft de verdachte uiteindelijk zijn oom alsnog gebeld en toestemming gevraagd om de scooter in de tuin te mogen stallen. Het is echter niet beperkt gebleven tot het enkele stallen van de scooter, want de verdachte heeft deze samen met twee andere jongens bewerkt, door te 'krassen' aan de achterzijde van de scooter. Dergelijk handelen past naar het oordeel van de rechtbank naadloos bij een poging de identificerende kenmerken van de scooter te verwijderen, nodig om de herkomst van de scooter te verbergen. De rechtbank stelt verder vast dat de door [getuige 1] gefotografeerde scooter en helm voldoen aan alle kenmerken van de van [aangever 1] gestolen scooter en helm. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een scooter - met kenteken [kenteken 1] - , helm en (scooter)sleutels voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze goederen van enig misdrijf afkomstig waren.
Mede in het licht van hetgeen hiervoor al is overwogen kan niet bewezen worden dat de verdachte wist of moet hebben geweten van de aanwezigheid van later die avond in de tuin gebrachte gestolen spullen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit leidt tot vrijspraak van hetgeen onder 1 subsidiair is tenlastegelegd.
4.2.4. Conclusie
Het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van heling van een scooter, een systeemhelm en een sleutelbos met daaraan onder meer een scootersleutel.
4.3. Overwegingen t.a.v. feit 4
4.3.1. Standpunt officier van justitie
Op 8 juni 2024 is een fatbike gestolen van [aangever 2] en op 11 juni 2024 is deze in de berging bij de woning van de verdachte aangetroffen. Voor de onder 4 primair tenlastegelegde beroving van [aangever 2] concludeert de officier van justitie tot vrijspraak, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte aanwezig was op de plaats delict. De subsidiair tenlastegelegde heling van de fatbike kan wel wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie acht de verklaring van de verdachte dat een onbekend gebleven vriend van de verdachte een gloednieuwe fatbike bij de verdachte zou hebben willen stallen vaag en ongeloofwaardig. Nu de gestolen fatbike bij de verdachte in de berging is aangetroffen en de verdachte van de aanwezigheid daarvan op de hoogte was maakt dat hij die fatbike voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
4.3.2. Standpunt verdediging
Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor feit 4. Het dossier bevat geen bewijsmateriaal dat de verdachte aan de beroving kan koppelen. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte wist dat de fatbike gestolen was.
4.3.3. Beoordeling
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen concluderen dat de verdachte bij de beroving van [aangever 2] betrokken is geweest. Hij zal daarom van de onder 4 primair ten laste gelegde beroving worden vrijgesproken.
De rechtbank zal de verdachte ook van de subsidiair ten laste gelegde heling in vereniging vrijspreken, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze fatbike van misdrijf afkomstig was. Aan de uiterlijk kenmerken van de fatbike heeft dat namelijk niet afgeleid kunnen worden en de enkele omstandigheid dat hij die fatbike tijdelijk voor een vriend in de schuur bij zijn woning heeft bewaard is daarvoor onvoldoende.
4.3.4. Conclusie
Het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.4. Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Dordrecht,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
een scootersleutel en/of een scooter en/of een systeemhelm en/of kleingeld en/of handschoenen en/of een iPhone oplader en/of een powerbank en/of een sleutelbos
heeft verworven en/of overgedragen en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betroffen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van opzetheling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1. Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich met een of meer anderen schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. Een scooter is een duur goed en is ook voor de eigenaar van grote waarde. Kennelijk heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen aan de vervelende gevolgen van het verlies van de scooter voor de eigenaar daarvan. Heling is een ergerlijk feit, waardoor het plegen van andere (vermogens-)misdrijven wordt begunstigd. Zowel de heler als de steler dragen verantwoordelijkheid voor de overlast die hiermee wordt veroorzaakt.
7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1. Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 11 november 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2. Rapportages
Stichting Verslavingsreclassering GGZ heeft op 5 september 2024 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit dit rapport volgt onder meer het navolgende.
Omdat de verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent is het de reclassering niet gelukt om een gedegen delictanalyse op te stellen. Er bestaan zorgen over het negatieve sociaal netwerk waarin de verdachte zich mogelijk bevindt, iets wat wordt onderstreept door het verontrustende feit dat tijdens de huidige detentie bij het huis van de verdachte een explosie heeft plaatsgevonden. De reclassering heeft daarnaast zorgen over in hoeverre zijn psychosociaal functioneren toereikend is om de juiste beslissingen te nemen in complexe (sociale) situaties. Er zijn namelijk vermoedens van een licht verstandelijke beperking binnen het huidige onderzoek naar voren gekomen, maar diagnostiek ontbreekt nog. Op dit moment is er geen hulpverlening bij de verdachte betrokken. Ten tijde van onderhavige verdenking beschikte de verdachte niet over structurele (zinvolle) dagbesteding in de vorm van scholing of werk. Gelet op de aard van deze verdenking kan de reclassering een financieel motief noch bevestigen noch uitsluiten. De verdachte woont nog thuis en het contact met ouders beschouwt de reclassering als een mogelijk beschermende factor.
De reclassering adviseert het opleggen van justitiële interventies om het risico op recidive te beperken. Door middel van ambulante begeleiding in de vorm van een (jongeren)coach kan worden ingezet op het opstellen van een delictanalyse, inzicht worden gekregen in het sociaal netwerk van de verdachte en de keuzes die hierin door de verdachte worden gemaakt waarbij hij bewuster wordt van de oorzaak-gevolg relatie van zijn handelen. Daarnaast is de verdachte volgens de reclassering gebaat bij praktische ondersteuning voor het creëren van zinvolle dagbesteding en het beheren van de eigen financiën. De verdachte lijkt gemotiveerd voor gedragsverandering en wil meewerken aan hulpverlening. Deze motivatie lijkt weliswaar op dit moment vooral ingegeven door zijn huidige omstandigheden (detentie en strafrechtelijke vervolging), maar ook deze extrinsieke motivatie kan als startpunt dienen voor gedragsverandering.
Op 11 november 2024 is een voortgangsrapport opgesteld, waaruit blijkt dat het schorsingstoezicht tot dan toe naar behoren verloopt. De verdachte is zijn meldplichtafspraken nagekomen en stelt zich open en gemotiveerd op. Hij werkt fulltime bij een bouwmarkt en is voor ambulante begeleiding in zorg bij Homerun Humanitas. Er zijn geen signalen van criminele activiteiten naar voren gekomen en het contactverbod met medeverdachten is niet overtreden.
7.4. Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank acht het zorgelijk dat bij de verdachte al meerdere keren - naar later bleek - gestolen goederen werden gestald en dat bij hem thuis een (nep)wapen is aangetroffen. De verdachte lijkt zich in een omgeving te bevinden waarin criminaliteit kennelijk niet wordt geschuwd. Het feit dat tijdens de detentie van de verdachte bovendien twee explosies bij zijn woning hebben plaatsgevonden en hij vervolgens om veiligheidsredenen geen openheid van zaken meer wil geven, wijst daar ook op. Anderzijds ziet de rechtbank dat de verdachte inmiddels fulltime bij een bouwmarkt werkt, daar naar tevredenheid functioneert en dat hij hiermee een positieve wending aan zijn leven wil geven. Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, is nu geen ruimte meer, gezien de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht afgezet tegen de ernst van het feit. Het is dan ook nu aan de verdachte zelf om de positieve wending in zijn leven voort te zetten, indien nodig met hulp en begeleiding.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de bij verdachte in beslag genomen mobiele telefoon terug te geven aan de verdachte.
8.2. Beoordeling
Ten aanzien van de bij verdachte in beslag genomen zwarte iPhone 15 Pro Max (goednummer [nummer]) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Vorderingen benadeelde partijen

9.1. Vorderingen van [benadeelde partij 1] (feit 1), [benadeelde partij 2] (feit 1) en [benadeelde partij 3] (feit 4)
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 790,37 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000, - aan immateriële schade.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.888,49 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000, - aan immateriële schade.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.249, - aan materiële schade.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat verdachte van de feiten waarop de vorderingen tot schadevergoeding zien, wordt vrijgesproken. De benadeelde partijen kunnen de vorderingen desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
9.2. Vordering van [benadeelde partij 4] (feit 2)
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 147,25 aan materiële schade en een vergoeding van € 875, - aan immateriële schade.
9.2.1. Standpunt officier van justitie
De gevorderde materiële en immateriële schadeposten zijn goed onderbouwd en komen billijk over. Voor de materiële schade zijn ter onderbouwing bijlagen toegevoegd. De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering, conform de opgave en onderbouwing door Slachtofferhulp Nederland, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt dit hoofdelijk op te leggen.
9.2.2. Standpunt verdediging
De vordering dient te worden afgewezen gelet op de verzochte vrijspraak. Verder zijn de vorderingen onvoldoende gespecificeerd. Daarnaast is sprake van onduidelijke causaliteit.
9.2.3. Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering ter zake de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte van de primair tenlastegelegde beroving wordt vrijgesproken en er onvoldoende rechtstreeks verband is tussen de bewezenverklaarde heling en de gevorderde immateriële schade.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade geldt dat de beschadiging van de kentekenplaathouder (€ 6,75) en de afdekplaat (€ 14,80) rechtstreeks verband houden met handelingen passend bij de heling van de scooter. Deze schade komt dan ook voor vergoeding in aanmerking en vergoeding daarvan zal worden toegewezen. Voor de overige schadeposten ontbreekt dit verband, omdat die met name samenhangen met de gevolgen van de beroving op zich, van welk feit de verdachte is vrijgesproken.
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een of meer mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden bedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 juni 2024.
Omdat de vordering van de [benadeelde partij 4] deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door [benadeelde partij 4] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten van de tenuitvoerlegging nog te maken.
9.3. Conclusie
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
De vordering van [benadeelde partij 4] zal voor zover betrekking hebbend op de kentekenplaathouder en de afdekplaat, een en ander zoals onder 9.2.3 uiteengezet, worden toegewezen en voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair, 2 primair, 3 en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt: - gelast de teruggave aan verdachte van: zwarte iPhone 15 Pro Max (goednummer [nummer] ).
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de [benadeelde partij 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de [benadeelde partij 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), zo dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 4] te betalen een bedrag van € 21,55 (zegge: eenentwintig euro en vijfenvijftig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 4] , tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 4] te betalen € 21,55 (zegge: eenentwintig euro en vijfenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 21,55 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader(s), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van die benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en H.C. van Vuren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 29 november 2024.
De voorzitter oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Dordrecht en/of Sliedrecht, althans in Nederland,
op of aan de openbare weg, te weten de Baanhoekweg en/of het Kors Monsterpad,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, - een scooter (van het merk Piaggio model Zip met kenteken [kenteken 2] ) en/of - een helm met headset met microfoon model BT-12 en/of - een helm (merk Roelboxer V8) en/of - iPhone 15 van het merk Apple en/of - pasjeshouder en/of portemonnee met verschillende passen,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - te achtervolgen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met/op één of meer scooters en/of - ( daarbij) af te snijden en/of de weg te versperren aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - zich op te dringen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (daarbij) een intimiderende houding aan te nemen jegens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - ( met kracht) meermalen, althans eenmaal te slaan/stompen op/tegen het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - vast/beet te pakken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - te fouilleren, althans af te tasten van de zakken van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - te gebieden aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] om zijn telefoon af te staan en/of - meermalen, althans eenmaal aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , de woorden toe te voegen van: "Stap af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 09 juni 2024 te Dordrecht,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen - een scooter (van het merk Piaggio model Zip met kenteken [kenteken 2] ) en/of - een helm met headset met microfoon model BT-12 en/of - een helm (merk Roelboxer V8) en/of - iPhone 15 van het merk Apple en/of - pasjeshouder en/of portemonnee met verschillende passen,
heeft verworven en/of overgedragen en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
2
hij op of omstreeks 09 juni 2024 te Dordrecht,
op of aan de openbare weg, te weten de Wantijdijk,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van
een scootersleutel en/of een scooter en/of een systeemhelm en/of kleingeld en/of handschoenen en/of een iPhone oplader en/of een powerbank en/of een sleutelbos,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n)
door
(voorzien van bivakmutsen, althans met een (deels) afgedekt/afgeschermd gezicht/gelaat) - zich op te dringen aan die [slachtoffer 3] en/of (daarbij) een intimiderende houding aan te nemen jegens die [slachtoffer 3] en/of - ( met kracht) meermalen, althans eenmaal te slaan/stompen op/tegen de neus, althans het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of - ( daarbij) aan die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen– zakelijk weergegeven - dat die [slachtoffer 3] zijn scooter moest starten en/of dat hij verdachte en/of zijn mededader 'iets zou trekken', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 09 juni 2024 te Dordrecht,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
een scootersleutel en/of een scooter en/of een systeemhelm en/of kleingeld en/of handschoenen en/of een iPhone oplader en/of een powerbank en/of een sleutelbos
heeft verworven en/of overgedragen en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voornoemd(e) goed(eren) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
3
hij op of omstreeks 09 juni 2024 te Dordrecht,
op of aan de openbare weg, te weten de Wantijdijk,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van
een tas van het merk Louis Vuitton en/of een geldbedrag van EUR 500 en/of één of meerdere passen en/of een iPhone 13 Pro en/of Airpods en/of scootersleutels en/of huissleutels,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] en/of een derde toebehoorde(n)
door
(voorzien van bivakmutsen, althans met een (deels) afgedekt/afgeschermd gezicht/gelaat) - zich op te dringen aan die [slachtoffer 4] en/of (daarbij) een intimiderende houding aan te nemen jegens die [slachtoffer 4] en/of - een slaande beweging te maken naar/in de richting van die [slachtoffer 4] . - een dreigende beweging naar zijn, verdachtes, broeksriem/broeksband te maken en/of daarbij aan die [slachtoffer 4] de woorden toe te voegen: "moet ik hem pakken?",
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
4
hij op of omstreeks 8 juni 2024 te Dordrecht,
op of aan de openbare weg, te weten de Noordendijk,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
een Fatbike, althans een fiets,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - te achtervolgen van die [slachtoffer 5] met/op één of meer scooters en/of - ( daarbij) af te snijden en/of de weg te versperren aan die [slachtoffer 5] en/of - zich op te dringen aan die [slachtoffer 5] en/of (daarbij) een intimiderende houding aan te nemen jegens die [slachtoffer 5] en/of - ( met kracht) meermalen, althans eenmaal te duwen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] en/of - een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan die [slachtoffer 5] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juni tot en met 11 juni 2024 te Dordrecht,
een Fatbike, althans een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.