Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2022:12303 - Rechtbank Rotterdam - 18 januari 2022

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2022:1230318 januari 2022Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald

Uitspraak inhoud

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/612071 / FA RK 21-620
Beschikking van 18 januari 2022 betreffende het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en de hoofdverblijfplaats
in de zaak van:
[naam vrouw], de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A. Ellenbroek te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.H. Weermeijer-Patist te Leiden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
7 december 2021. Daarbij zijn verschenen:
1.3. De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier op 11 augustus 2021 gebruik van gemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1. Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ; en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] .
2.2. Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.3. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend op
12 augustus 2013. Daarin zijn partijen – voor zover hier van belang – overeengekomen dat [voornaam minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de man en [voornaam minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw. Daarnaast is een zorgregeling overeengekomen in de vorm van een co-ouderschap, waarbij de minderjarigen op maandag en dinsdag bij de vrouw zijn en op donderdag en vrijdag bij de man. Achtereenvolgens verblijven de minderjarigen twee woensdagen per maand bij de man en twee woensdagen per maand bij de vrouw. Verder verblijven de minderjarigen twee weekenden achtereenvolgens opgedeeld in zaterdag bij de man en zondag bij de vrouw. Daarna een heel weekend bij de man gevolgd door een heel weekend bij de vrouw.

3 De beoordeling

3.1. Na aanvulling en wijziging van het oorspronkelijke verzoek, strekken de verzoeken van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag waarbij de vrouw met het eenhoofdig gezag wordt belast en, naar de rechtbank begrijpt subsidiair, tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] . Voorts verzoekt de vrouw ontzegging van de omgang van de man met de minderjarigen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw ten slotte verzoekt een door de man te betalen bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 250, - per kind per maand.
3.2. De man voert gemotiveerd verweer.
3.3. Ouderlijk gezag en de zorg-/omgangsregeling
3.3.1. De rechtbank zal een verzoek van gezaghebbende ouders of één van hen dat strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over een minderjarige of tot wijziging van een door ouders onderling getroffen zorgregeling pas beoordelen indien sprake is van onder meer nadien gewijzigde omstandigheden.
3.3.2. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat twee dagen voor de kindgesprekken de minderjarigen getuigen zijn geweest van een schietpartij in de straat van de vrouw. De vrouw heeft verklaard dat de schutter bezig was met zijn pistool terwijl hij in de richting rende van [voornaam minderjarige 1] . Dit heeft, uiteraard, veel indruk gemaakt op de minderjarigen. De vrouw heeft besloten eerst het afgesproken bioscoopbezoek met de minderjarigen door te laten gaan, alvorens [voornaam minderjarige 1] met de politie zou spreken. Partijen zijn in conflict geraakt over deze reactie van de vrouw en de vraag of en wanneer [voornaam minderjarige 1] een getuigenverklaring bij de politie zou afleggen. Tijdens de kindgesprekken op 11 augustus 2021 hebben de minderjarigen niet over deze gebeurtenissen gesproken. Wel hebben zij verklaard dat zij een minder ingewikkelde en minder omvangrijke zorgregeling met de man wensen en de voorkeur hebben om het merendeel van de tijd bij de vrouw te verblijven. Toen de minderjarigen na de kindgesprekken omgang hadden met de man, is de verstandhouding tussen de man en minderjarigen verstoord en heeft de man eerder dan overeengekomen de minderjarigen naar de vrouw gebracht. De man heeft toen besloten van de minderjarigen afstand te nemen. Vanaf dat moment hebben de minderjarigen geen omgang of contact meer gehad met de man. De minderjarigen verblijven sindsdien allebei bij de vrouw. De zorgregeling wordt dus vanaf 11 augustus 2021 niet meer nagekomen.
3.3.3. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag, als ook ten opzichte van het opstellen van het ouderschapsplan op 12 augustus 2013. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
3.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de voornoemde gebeurtenissen mogelijk aanleiding om het gezag en/of de zorgregeling (dan wel de omgangsregeling) te wijzigen, echter zal de rechtbank daar nu nog geen beslissing over nemen. De communicatie tussen partijen is weliswaar ernstig verstoord geraakt, maar dit is relatief kort geleden gebeurd en hierin is nog verbetering mogelijk. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij, in het belang van de minderjarigen, verbetering wensen van hun communicatie. Tijdens de mondelinge behandeling onderschrijven partijen allebei het belang voor de minderjarigen om onbelast contact en omgang te hebben met beide ouders. Omdat eerdere inspanningen van partijen daartoe niet (voldoende) resultaat hebben gehad, hebben partijen hulp nodig om te bewerkstelligen dat zij op een constructieve wijze met elkaar overleggen, samenwerken en afspraken maken, ook met het oog op mogelijk herstel van contact en omgang van de man met de minderjarigen.
3.3.5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het hulpverleningstraject van ouderschapsbemiddeling en de verzoeken tot beëindigen van het ouderlijk gezag en tot ontzegging van de omgang tussen de man en de minderjarigen aanhouden op de hierna vermelde wijze.
3.4. Aanhouding
3.4.1. Zoals overwogen is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat beide partijen bereid zijn om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling, met als doel dat partijen op een constructieve wijze met elkaar overleggen en samenwerken. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject. De rechtbank zal de behandeling van de verzoeken om het eenhoofdig gezag en het ontzeggen dan wel verminderen van de omgang tussen de man en de minderjarigen (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden. De rechtbank zal deze beschikking versturen naar het routeringspunt met de gegevens van partijen.
3.4.2. De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde wijze.
3.4.3. Indien het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgdragen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, indien het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder nadere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.4.4. Indien het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd dan wel de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.4.5. Een raadsonderzoek blijft achterwege indien de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts indien zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.4.6. Indien de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, indien het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een nadere aanhouding van de zaak.
3.4.7. Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, indien het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de navolgende vragen:
Verzoek tot eenhoofdig gezag:
Verzoek tot wijzigen van de zorgregeling/omgangsregeling/ontzegging van omgang:
3.4.8. Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.5. Hoofdverblijfplaats [voornaam minderjarige 1]
3.5.1. Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen. Omdat partijen in het ouderschapsplan afspraken gemaakt hebben over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, zal de rechtbank pas een verzoek tot wijziging daarvan beoordelen indien sprake is van nadien gewijzigde omstandigheden.
3.5.2. Zoals overwogen, is het co-ouderschap tussen partijen beëindigd en verblijft [voornaam minderjarige 1] vanaf 11 augustus 2021 aaneengesloten bij de vrouw, zodat sprake is van een relevante wijziging. Het is nog onduidelijk of en wanneer daar (weer) verandering in komt en in welke mate, omdat partijen zullen deelnemen aan het hulpverleningstraject zoals voorgaand is overwogen. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het nu al in het belang van de minderjarigen is dat zij beiden (ook) juridisch hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat het verloop van het hulpverleningstraject daarvoor niet kan worden afgewacht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] bij haar te bepalen dan ook toewijzen.
3.6. Kinderbijdrage
3.6.1. Het verzoek van de vrouw van 26 november 2021 tot vaststelling van een kinderbijdrage is niet inhoudelijk behandeld tijdens de mondelinge behandeling, omdat de aan de man gegeven termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen dat verzoek nog niet was geëindigd. De man is dus nog in de gelegenheid om op dit verzoek te reageren.
3.6.2. Omdat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard van die gelegenheid gebruik te zullen maken, wordt de behandeling van dit verzoek aangehouden en zal na de ontvangst van het verweerschrift van de man een afzonderlijke mondelinge behandeling worden bepaald voor het behandelen van het dit verzoek.
3.7. Proceskosten
Omdat ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling dan wel ontzegging van de omgang en het gezag over de minderjarigen nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4 De beslissing

De rechtbank:
4.1. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vrouw zal zijn;
4.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3. stelt vast dat partijen, te weten:
[naam vrouw] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
en
[naam man] ,
wonende aan de [adres 2] , [postcode 2] te [woonplaats] ;
4.4. bij deze beschikking zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en dat het routeringspunt zorgdraagt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.5. bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject bewerkstelligen dat zij op een constructieve wijze met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van de minderjarigen en dat zij nadere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen de minderjarigen en beide partijen;
4.6. beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16, 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: [email protected];
4.7. bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een afschrift aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, indien het hulpverleningstraject niet dan wel deels is geslaagd;
4.8. beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een afschrift daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.9. verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.10. verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject: - te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen; - de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en - indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en - daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder voormeld raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.11. houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag over de minderjarigen en de zorgregeling (dan wel omgangsregeling) PRO FORMA aan tot 1 september 2022.
4.12. bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen;
4.13. houdt alle overige beslissingen aan.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.