Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:558 - Rechtbank Overijssel - 4 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:5584 februari 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/329462 / HA ZA 25-66
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.J. Kwaak,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat onttrokken.
Samenvatting
Dit eindvonnis in een geschil over de uitvoering van installatietechnische werkzaamheden volgt op het tussenvonnis van 22 oktober 2025. Op basis van de nadere toelichting van [eiser] op de door haar gevorderde vervangende schadevergoeding terzake van niet afgerond of ondeugdelijk werk, waarop [gedaagde] niet heeft gereageerd, oordeelt de rechtbank in conventie dat de gevorderde vervangende schadevergoeding grotendeels toewijsbaar is. In reconventie wordt, naast de vordering die ziet op een verklaring voor recht (B) waarover de rechtbank in het tussenvonnis al heeft geoordeeld, de vordering tot betaling van twee meerwerkfacturen toegewezen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 oktober 2025 - de akte uitlating van [eiser] met de producties 16-18 - het bericht van de mr. R.J. van der Leest dat zij zich onttrekt als advocaat van [gedaagde] .
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie
Tussenvonnis 22 oktober 2025
2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [gedaagde] ten aanzien van zijn verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst in verzuim is komen te verkeren en dat [eiser] in dit verband recht heeft op vervangende schadevergoeding. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat ter beoordeling van de hoogte van de vervangende schadevergoeding behoefte bestaat aan nadere informatie. De rechtbank heeft [eiser] de gelegenheid gegeven om bij akte een overzichtelijke lijst te verstrekken van de werkzaamheden die [gedaagde] volgens haar (per unit) niet heeft uitgevoerd en van de gebreken in de wel door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden, waarbij [eiser] moet toelichten en onderbouwen welke van die werkzaamheden/gebreken inmiddels zijn uitgevoerd/verholpen en welke kosten hiermee gemoeid zijn en wat de kosten zijn van de werkzaamheden/gebreken die nog niet zijn uitgevoerd/verholpen. Hierna krijgt, zo heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen, [gedaagde] de gelegenheid om op de akte van [eiser] te reageren.
2.2. Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis ten aanzien van de lening geoordeeld dat de vordering tot terugbetaling het bedrag van € 24.285,90 toewijsbaar is, te vermeerderen met rente van 7% per jaar vanaf 5 januari 2025 en € 283,33 aan rente over de periode van 6 november 2024 tot en met 5 januari 2025. Ook ten aanzien van de vordering tot betaling van een factuur betreffende de VvE-bijdrage en een voorschot op de energiekosten van € 1.893,65 heeft de rechtbank geoordeeld dat die toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding (21 februari 2025).
Vervangende schadevergoeding
2.3. [eiser] vordert vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 127.809,34. In de dagvaarding heeft zij toegelicht dat met het afmaken van het werk en het herstel van de gebreken een bedrag van € 197.131,53 (inclusief btw) gemoeid is en dat zij in totaal een bedrag van € 244.007,31 (inclusief btw) aan [gedaagde] heeft betaald, zodat de totale kosten van het werk uitkomen op een bedrag van € 441.138,84. Hierop moeten de overeengekomen aanneemsom van € 290.400,00 en het geaccordeerde meerwerk van € 22.929,50 in mindering worden gebracht, zodat volgens [eiser] een bedrag van € 127.809,34 resteert aan extra kosten als gevolg van de wansprestatie van [gedaagde] .
2.4. In de akte na het tussenvonnis heeft [eiser] een nadere toelichting gegeven op de extra kosten en geconcludeerd dat de totale schade € 155.549,00 exclusief BTW bedraagt. Hierbij heeft zij verwezen naar een overzicht waarin, voor zover mogelijk, per unit de kosten vermeld staan voor het afmaken en voor het herstellen ervan en daarnaast de kosten voor werkzaamheden die niet per unit berekend kunnen worden (productie 16). In dit overzicht wordt een totaalbedrag van € 155.549,00 genoemd. Daarnaast heeft [eiser] verwezen naar een overzicht van facturen en offertes voor de uitgevoerde en nog uit te voeren (herstel)werkzaamheden (productie 17) en afschriften van de nieuwe offertes die nog niet eerder in het geding waren gebracht (productie 18).
2.5. Op dezelfde roldatum als waarop [eiser] voornoemde akte heeft genomen, heeft mr. R.J. van der Leest bericht dat zij zich onttrekt als advocaat van [gedaagde] . [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld een nieuwe advocaat in te schakelen, maar er heeft zich geen nieuwe advocaat voor hem gesteld. Een antwoordakte van de zijde van [gedaagde] is daarmee ook uitgebleven. Nu de gegevens die [eiser] in de akte na het tussenvonnis heeft verstrekt niet zijn weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid hiervan. Uitgaande van het als productie 16 overgelegde overzicht stelt de rechtbank vast dat met het alsnog uitvoeren van onverrichte overeengekomen werkzaamheden en met het herstel van niet deugdelijk uitgevoerde werkzaamheden een bedrag van € 155.549,00 exclusief btw gemoeid is en € 188.214,29 inclusief btw. Uitgaande van de berekening die [eiser] in de dagvaarding heeft gehanteerd, moet dit bedrag worden opgeteld bij het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald (€ 244.007,31), waarna de aanneemsom
(€ 290.400,00) en het geaccordeerde bedrag aan meerwerk (€ 22.929,50) in mindering moeten worden gebracht. Daarmee komt de hoogte van de vervangende schadevergoeding uit op € 118.892,10. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (21 februari 2021).
Buitengerechtelijke incassokosten
2.6. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Beslagkosten
2.7. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd en zal daarom worden afgewezen. [eiser] heeft namelijk de beslagstukken niet in het geding gebracht.
Proceskosten
2.8. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
2.9. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Openstaande facturen
2.10. In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de facturen 2024-0027 en 2024-0029 overwogen dat de desbetreffende factuurbedragen al in mindering zijn gebracht op de hoofdsom bij de berekening van de gevorderde vervangende schadevergoeding. Nu in conventie een bedrag aan vervangende schadevergoeding wordt toegewezen waarop deze gefactureerde bedragen al in mindering zijn gebracht, is de vordering van [gedaagde] tot betaling van deze facturen niet toewijsbaar.
2.11. Ten aanzien van de facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat [eiser] heeft erkend dat zij [gedaagde] daarvoor een meerwerkopdracht heeft gegeven en dat de betreffende factuurbedragen niet in die zin zijn meegeteld in de berekening van de in conventie gevorderde hoofdsom dat die bedragen op die hoofdsom in mindering zijn gebracht, zodat [gedaagde] mogelijk aanspraak kan maken op de betaling ervan. Daarnaast heeft de rechtbank in het tussenvonnis geconstateerd dat de in deze facturen opgenomen werkzaamheden ook zijn opgenomen in productie 14 van [eiser] , waarin foto's en nadere beschrijvingen staan van de door [eiser] geconstateerde gebreken en ontbrekende werkzaamheden.
2.12. In factuur [factuurnummer 1] staat als omschrijving: *"2v wcd opbouw+1 led balk 9 + 6 wvd's."*De rechtbank gaat ervan uit dat deze werkzaamheden, voor zover deze niet dan wel gebrekkig waren uitgevoerd, zijn opgenomen in het overzicht van productie 16 bij de akte uitlating van [eiser] (onder de posten Stopcontacten BGG, Stopcontacten verd,Extra wcden/of Ledlamp). Dit betekent dat in conventie een vergoeding voor deze werkzaamheden is toegekend, zonder dat daarbij een verrekening van de meerwerkfactuur heeft plaatsgevonden. [eiser] zal daarom in reconventie worden veroordeeld tot betaling van het factuurbedrag van € 2.613,60. Nu de gefactureerde werkzaamheden niet (volledig ) door [gedaagde] zijn uitgevoerd, zal de wettelijke rente over dit bedrag niet vanaf de vervaldatum van de factuur worden toegewezen, maar vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld (16 april 2025).
2.13. Hetzelfde geldt voor factuur [factuurnummer 2]. Deze factuur heeft als omschrijving: "1× op nieuw installatie aan legen, Vloerpotten 5×, 5 × loseleiding, Extra geroepen Matriaal en uren, 1 × Wantgoot +wcd's en uren." De rechtbank gaat ervan uit dat deze werkzaamheden, voor zover deze niet dan wel gebrekkig waren uitgevoerd, zijn opgenomen in het overzicht van productie 16 bij de akte uitlating van [eiser] (onder de posten Meterkast en Extra Wcd). Ook voor deze factuur heeft in conventie geen verrekening plaatsgevonden. De vordering tot betaling van het factuurbedrag van € 15.093,54 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025.
Verklaringen voor recht
2.14. In het tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld over de door [gedaagde] gevorderde verklaringen voor recht (A. tot en met H.). Conform dit tussenvonnis wordt de onder B. gevorderde verklaring voor recht in dit eindvonnis toegewezen en worden de vorderingen die zien op de overige verklaringen voor recht afgewezen.
Opheffing beslag
2.15. [gedaagde] heeft gevorderd het door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslag met onmiddellijke ingang op te heffen dan wel [eiser] te veroordelen tot opheffing van het beslag. Artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat opheffing van het beslag onder meer wordt uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, wanneer summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of - bij een geldvordering - als voor die vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. [gedaagde] lijkt een beroep te doen op de ondeugdelijkheid van het door [eiser] ingeroepen recht. Nu in conventie een aanzienlijk bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen is hiervan geen sprake. Voor zover zich op ander opheffingsgronden heeft willen beroepen, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
2.16. Omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in reconventie compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

in conventie
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 24.569,23 vermeerderd met de contractuele rente van 7% per jaar over het bedrag van € 24.285,90 met ingang van 5 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.893,65 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 118.892,10 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 11.985,13, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
3.6. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 17.707,14 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 16 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.7. verklaart voor recht dat [eiser] eigenrichting heeft gepleegd met het vervangen van de sloten/sleutels dan wel het afsluiten van de unit van [gedaagde] ,
3.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in conventie en reconventie
3.9. verklaart dit vonnis voor de onderdelen 3.1. tot en met 3.6. uitvoerbaar bij voorraad,
3.10. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.