Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:50 - Rechtbank Overijssel - 6 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2026:506 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **OVERIJSSEL**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11647421 \ CV EXPL 25-1210
Vonnis van 6 januari 2026
in de zaak van

1 [partij A 1],

te [woonplaats 1],
  1. [partij A 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: "[partij A]",
gemachtigde: mr. H.H. Bulthuis,
tegen
[partij B], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: "[partij B]",
gemachtigde: mr. B. van den Bos.
Samenvatting
[partij B] heeft op basis van een aannemingsovereenkomst schilderwerkzaamheden verricht aan de binnen - en buitenkant van de woning van [partij A]. De aannemingsovereenkomst is voortijdig geëindigd. [partij A] vorderen in deze procedure schadevergoeding vanwege gebreken die zij na het einde van de overeenkomst in het door [partij B] verrichte schilderwerk hebben geconstateerd. [partij B] heeft een tegenvordering. Hij vordert betaling van een nog openstaande factuur en van het restant van de overeengekomen offerteprijs.
De kantonrechter zal de vordering van [partij A] gedeeltelijk toewijzen en de tegenvordering van [partij B] afwijzen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol, zodat partijen de mogelijkheden voor een schikking konden onderzoeken. Bij mails van 1 december 2025 en 2 december 2025 hebben partijen laten weten dat zij geen schikking hebben bereikt en gevraagd om vonnis te wijzen.
1.3. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [partij B] heeft op basis van de offerte van 18 november 2024 schilderwerkzaamheden verricht aan de binnen - en buitenkant van de woning van [partij A]. In deze offerte is onder meer het volgende opgenomen:
"De besproken werkzaamheden en/of leveringen kunnen wij u aanbieden voor de op deze offerte aangegeven prijs.
Omschrijving Aantal Prijs Totaal
Aangenomen werk
Schilderwerkzaamheden, woning ouder dan 2 jaar 120,00 40,00 4.800,00
  1. Binnen, 60 uur a 8 uur per dag
  1. Buiten, 60 uur a 8 uur per dag
Inclusief balkon en aluminiumplaten.
Extra schilderuren worden apart in rekening gebracht.
Benodigde materialen
    • Ladder, steiger en schildermaterialen (kwasten, rollers, plakband, kit e.d.)*
De klimmaterialen, steiger en ladder, is niet inbegrepen in deze offerte.
Tegen meerprijs kan dit worden verzorgd.
Betaling
    • Geen vooruitbetaling benodigd.*
    • Elke week, op vrijdag, worden de schilderuren door opdrachtnemer voldaan.*
Totaal excl. btw € 4.800,00
Totaal btw € 432,00
Offertebedrag € 5.232,00
      *"*
2.2. Partijen hebben verder per mail afgesproken dat [partij A] zelf de benodigde verf zouden aanschaffen. [partij B] heeft [partij A] daarbij instructies gegeven over de precieze soorten en merken verf die zij moesten aanschaffen.
2.3. Op 4 december 2024 is [partij B] gestart met zijn schilderwerkzaamheden. Na enkele weken hebben partijen onenigheid gekregen over de voortgang van de werkzaamheden, de communicatie en de betaling van de wekelijkse facturen. Uiteindelijk is de overeenkomst tussen hen begin januari 2025 voortijdig geëindigd. In totaal heeft [partij B] 89 uren in het huis van [partij A] gewerkt en in rekening gebracht. [partij A] hebben € 3.357,20 inclusief BTW (voor 77 gewerkte uren) aan [partij B] betaald. Zij hebben de laatste factuur van [partij B] ter hoogte van € 523,20 inclusief BTW voor 12 gewerkte uren in week 53 (de kantonrechter begrijpt: week 1 van 2025) niet betaald.
2.4. [partij A] hebben aan [bedrijf 2] B.V. (hierna ook: [bedrijf 2]) de opdracht gegeven om de schilderwerkzaamheden af te ronden. Op
9 januari 2025 heeft [bedrijf 2] [partij A] per mail het volgende laten weten:
"(…)Voorafgaand aan onze werkzaamheden is er door een andere schilder al werk uitgevoerd, maar dat was nog niet volledig afgerond. (…) Tijdens de afronding van het schilderwerk zijn mijn collega's en ik een aantal zaken opgevallen:

1 Loslatende verf op de zolder (kitranden):

2 Gebruik van verkeerde verf op de begane grond:

3 Loslatende verf aan de buitenzijde:

4 Onvoldoende hechting en uitharding van verf:

5 Onvolledige aflak:

6 Verontreiniging van verf door eerdere schilder:

Na meerdere kozijnen en plinten te hebben afgelakt (op 7 en 8 januari) viel op dat de eerder gebruikte watergedragen aflak (Sigma S2U Nova Satin) vermengd was met terpentine. Watergedragen aflak kan niet met terpentine worden vermengd, omdat dit de hechting van droging verstoort. Bij gebruik van nieuwe aflak (Sigma S2U Nova Satin) was duidelijk zichtbaar dat de hechting en dekkracht aanzienlijk beter waren."
2.5. Diezelfde dag hebben [partij A] aan [partij B] gemaild dat zij vonden dat hij ondeugdelijk werd had geleverd en gevraagd of hij was aangesloten bij een geschillencommissie.
2.6. Op 10 januari 2025 heeft [partij B] aan [partij A] geantwoord dat hij best wilde langskomen om te bekijken wat niet goed was en om eventuele problemen aan zijn schilderwerk op te lossen. [partij B] eiste wel uitbetaling van de nog openstaande 12 uren (de kantonrechter begrijpt: de laatste factuur ter hoogte van € 523,20) en hij eiste ook uitbetaling van de resterende 31 uren uit de offerte, omdat [partij A] ook voor deze uren hadden getekend.
2.7. [partij A] hebben [partij B] geantwoord dat zij niet op zijn mail wilden ingaan.
2.8. Eind januari hebben [partij A] van [bedrijf 2] een kostenoverzicht gekregen voor de herstelwerkzaamheden aan het schilderwerk:
"
      Binnen:
o Vast raam: €30,00 exclusief 9% btw per raam.
o Openslaand raam: €71,25 exclusief 9% btw per raam.
o Deur met raam: €138,75 exclusief 9% btw per deur.
o Kozijn enkele deur: €71,25 exclusief 9% btw per kozijn.
o Kozijn dubbele deur: €108,75 exclusief 9% btw per kozijn.
Buiten:
o Vast raam: €48,75 exclusief 9% btw per raam.
o Openslaand raam: €93,00 exclusief 9% btw per raam.
o Deur met raam: €191,25 exclusief 9% btw per deur.
o Kozijn enkele deur: €93,00 exclusief 9% btw per kozijn.
o Kozijn dubbele deur: €138,75 exclusief 9% btw per kozijn.
o Hekwerk: €371,25 exclusief 9% btw."
2.9. Op 31 januari 2025 hebben [partij A] aan [partij B] laten weten dat zij schadevergoeding vorderen.
2.10. Partijen hebben vervolgens nog verschillende mails uitgewisseld waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze mails hebben niet tot overeenstemming geleid.

3 Het geschil

In conventie: wat willen [partij A]?
3.1. [partij A] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.2. Aan deze vorderingen leggen zij ten grondslag dat [partij B] ondeugdelijk schilderwerk heeft geleverd. [partij A] willen vanwege de gebreken in het schilderwerk terugbetaling van alle facturen die zij aan [partij B] hebben betaald (€ 3.357,20 inclusief BTW), vergoeding van de waarde van de verf die zij voor [partij B] hadden aangeschaft
(€ 370,48) en vergoeding van de kosten voor het herstel van het schilderwerk door [bedrijf 2] (door hen begroot op: € 3.180,89 inclusief BTW).
3.3. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
In reconventie: wat wil [partij B]?
3.4. [partij B] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.874,80 aan hoofdsom en € 281,22 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.5. Aan deze vordering legt [partij B] het volgende ten grondslag. [partij A] moeten volgens [partij B] de gemaakte afspraken nakomen en daarom de laatste factuur ter hoogte van € 523,20 (12 gewerkte uren) betalen. Daarnaast vindt [partij B] dat [partij A] hem het restant van de offerteprijs, de overgebleven 31 uren (120 - 89) uit de offerte, moeten uitbetalen. Dat is een bedrag van € 1.351,60. Volgens [partij B] hebben [partij A] de aannemingsovereenkomst opgezegd en zijn zij daarom op grond van artikel 7:764 BW de voor het gehele werk geldende prijs verschuldigd.
3.6. [partij A] voeren verweer en vragen om de vorderingen van [partij B] af te wijzen.
3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vooraf
4.1. [partij B] was niet aanwezig tijdens mondelinge behandeling. Daarmee heeft hij zichzelf de kans ontnomen om zijn kant van het verhaal toe te lichten, te reageren op wat [partij A] op de mondelinge behandeling hebben verklaard, en te antwoorden op vragen die de kantonrechter specifiek voor hém had. Dat komt voor zijn risico. Als [partij B] de stellingen van [partij A] niet of niet gemotiveerd heeft betwist, gaat de kantonrechter er namelijk van uit dat die stellingen juist zijn.
4.2. Voor de beoordeling van de vorderingen over en weer is van belang wat partijen precies zijn overeengekomen, wanneer en hoe de overeenkomst tussen partijen is geëindigd en of het werk is opgeleverd. De kantonrechter zal daar daarom eerst op ingaan.
Tussen partijen bestond een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom
4.3. Tussen partijen bestond een overeenkomst van aanneming van werk op basis waarvan [partij B] tegen betaling het binnen - en buitenschilderwerk aan de woning van [partij A] zou uitvoeren. De vraag is of partijen een vaste aanneemsom (het standpunt van [partij A]) of een prijs op regiebasis (het standpunt van [partij B]) zijn overeengekomen.
4.4. Om te beoordelen wat partijen bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst hebben afgesproken over de prijs van het schilderwerk kijkt de kantonrechter naar wat partijen over en weer hebben verklaard over de prijs en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
4.5. [partij A] hebben op de mondelinge behandeling toegelicht dat [partij B] eerst bij hen op bezoek is geweest om te bekijken hoe het houtwerk eruit zag en welke werkzaamheden er nodig waren. Naar aanleiding van dat bezoek is vervolgens de offerte opgemaakt. Volgens [partij A] heeft [partij B] de hele woning van binnen gezien. De buitenkant van de woning heeft [partij B] bekeken door een rondje om het huis te lopen en door vanaf het dakterras en vanuit een zolderraam het houtwerk op de hogere verdiepingen te bekijken. In totaal heeft [partij B] volgens [partij A] een uur rondgekeken en daarbij ook op verschillende plekken aan het houtwerk gevoeld. Hierna heeft [partij B] nog naar recente foto's van de buitenkant van het huis gekeken. Volgens [partij A] heeft [partij B] gezegd dat het houtwerk overal in goede staat was en dat er niet veel voorwerk nodig was. Dit alles is door [partij B] niet (gemotiveerd) weersproken.
4.6. De kantonrechter leidt hieruit af dat [partij B] tijdens zijn bezoek aan de woning van [partij A] een goed beeld heeft kunnen krijgen van de exacte omvang van de te verrichten schilderwerkzaamheden. Dat betekent dat het voor hem mogelijk was om een nauwkeurige prijs voor de gehele schilderklus te bepalen en in de offerte op te nemen. Volgens [partij A] heeft [partij B] ook gezegd dat hij een prijs voor de gehele klus (arbeid, materialen en winst) zou opnemen in de offerte en dat die prijs alleen kon veranderen bij meerwerk – extra werkzaamheden op verzoek van [partij A] buiten de offerte om – of onvoorziene omstandigheden. Ook dit is door [partij B] niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop mochten [partij A] ervan uitgaan dat de prijs op de offerte (€ 5.232,00 inclusief BTW) een vaste aanneemsom – een vast bedrag voor het gehele werk – betrof. Ook de tekst van de offerte sluit hierbij aan door de woorden 'Aangenomen werk'.
4.7. Dat [partij A] [partij B] aan het eind van iedere week voor de gewerkte uren betaalden, is – anders dan namens [partij B] is betoogd – onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat (toch) een prijs op basis van regie was afgesproken. [partij A] hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat [partij B] in eerste instantie in de offerte had opgenomen dat het gehele bedrag vooruitbetaald moest worden. Zij hebben [partij B] toen gevraagd of dat ook anders kon, omdat zij dat niet gebruikelijk vonden. Daarop heeft [partij B] geantwoord dat vooruitbetalen niet nodig was. Uiteindelijk werd afgesproken dat na afloop van elke week zou worden afgerekend voor het in die week verrichte werk. Dit alles is door [partij B] niet weersproken. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat de wekelijkse facturen moeten worden beschouwd als termijnbetalingen, waarmee de vaste prijs in relatie tot de voortgang van het werk in rekening werd gebracht.
De overeenkomst is op 6 januari 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd
4.8. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [partij A] verklaard dat Bourgonje op 6 januari 2025 in hun woning een gesprek heeft gevoerd met [partij B] over de voortgang en het tempo van de werkzaamheden, de communicatieproblemen die [partij A] ervoeren en de betaling van het restant van de offerteprijs. Tijdens dat gesprek bleek dat er over en weer geen vertrouwen meer was. Het gesprek eindigde ermee dat [partij B] zei: "Dan houdt het hier op", wat Bourgonje toen heeft beaamd. Vervolgens heeft [partij B] de woning van [partij A] verlaten. Hij is ook niet meer teruggekomen om verder te schilderen. Dit alles is door [partij B] niet (gemotiveerd) weersproken, zodat de kantonrechter hiervan uitgaat.
4.9. De kantonrechter leidt hieruit af dat partijen op 6 januari 2025 gezamenlijk hebben geconcludeerd dat hun samenwerking toen eindigde. Er was – anders dan namens [partij B] is betoogd – dus geen sprake van een eenzijdige handeling van [partij A] (een opzegging), maar van een door partijen samen gemaakte afspraak om niet meer met elkaar verder te gaan. Dit betekent dat de overeenkomst tijdens het gesprek van 6 januari 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd.
Het door [partij B] verrichte schilderwerk is op 6 januari 2025 opgeleverd
4.10. Met zijn vertrek uit de woning van [partij A] na de beëindiging van de overeenkomst heeft [partij B] het tot dan toe door hem verrichte schilderwerk ter beschikking gesteld aan [partij A], die het werk vervolgens in gebruik hebben genomen. Anders dan namens [partij B] is betoogd, is het door [partij B] verrichte schilderwerk daarmee op 6 januari 2025 ook opgeleverd aan [partij A].
Tussenconclusie
4.11. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter er bij de beoordeling van de vorderingen over en weer van uitgaan:
De vorderingen van [partij A] in conventie
4.12. [partij A] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [partij B] ondeugdelijk schilderwerk heeft geleverd en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
4.13. De kantonrechter stelt voorop dat [partij B] de door [partij A] gestelde gebreken in het schilderwerk niet gemotiveerd heeft weersproken. Daarmee staan deze gebreken, zoals opgesomd in overweging 2.4. van dit vonnis, in rechte vast. Deze gebreken leveren een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door [partij B] op. De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst tussen partijen.
4.14. Vast staat dat [partij A] op 9 januari 2025 op de hoogte raakten van de gebreken in [partij B] schilderwerk. Hiervoor is geoordeeld dat het door [partij B] verrichte Schilderwerk drie dagen daarvoor al aan hen was opgeleverd. Gesteld noch gebleken is dat [partij A] de gebreken op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs al hadden moeten ontdekken. [partij B] kan dus ook worden aangesproken voor deze gebreken.
4.15. [partij A] vorderen vanwege de gebreken in het schilderwerk schadevergoeding in plaats van nakoming van de aannemingsovereenkomst. Namens [partij B] is aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen, omdat geen sprake is van verzuim aan de zijde van [partij B]. [partij A] hebben [partij B] namelijk niet – via een ingebrekestelling – de mogelijkheid geboden om het schilderwerk te herstellen, terwijl [partij B] wel herstel had aangeboden.
4.16. De kantonrechter overweegt dat het uitgangspunt inderdaad is dat een opdrachtgever de aannemer een ingebrekestelling moet sturen en hem de mogelijkheid moet bieden om gebreken in het werk te herstellen, voordat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Maar hier zijn uitzonderingen op, zoals wanneer in verband met de omstandigheden niet van de opdrachtgever kan worden gevergd dat deze de aannemer nog toelaat tot herstel.[1] [partij A] hebben zich tijdens de mondelinge behandeling op deze uitzondering beroepen en de kantonrechter is van oordeel dat hun beroep hierop, gelet op de door hen aangedragen feiten en omstandigheden, slaagt. Redengevend daarvoor is het volgende.
4.17. De kantonrechter is van oordeel dat de gebreken in het opgeleverde schilderwerk ernstig en omvangrijk zijn. Er is sprake van verschillende soorten gebreken (onvoldoende hechting, verkeerde verf, verontreinigde verf), zowel in het binnenschilderwerk als in het buitenschilderwerk. Deze gebreken raken allemaal de kern van de overeengekomen prestaties van [partij B] en zijn zodanig dat er aan de kant van [partij A] sprake is van een gerechtvaardigd gebrek aan vertrouwen in het vakmanschap van [partij B]. [partij A] hebben verder verklaard dat na vijf weken pas 40% van het schilderwerk klaar was, terwijl [partij B] vooraf had ingeschat maar twee weken bezig te zijn (door 60 uren per week te werken, ook in de avonden en weekends). [partij B] verscheen echter meerdere keren dagen achter elkaar helemaal niet en reageerde dan ook niet of nauwelijks op berichten. Op de dagen dat hij er wel was, werkte hij – zonder kenbare reden – vaak maar een paar uren. Dit alles is door [partij B] niet (gemotiveerd) weersproken en maakt dat niet valt aan te nemen dat [partij B] het herstel van de gebreken in zijn schilderwerk wel voortvarend en binnen redelijke termijn zou voltooien. Tot slot hebben [partij A] onweersproken aangevoerd dat [partij B] tijdens het gesprek van 6 januari 2025 bedreigingen jegens hen heeft geuit. Daardoor voelden (en voelen) zij zich onvoldoende veilig in zijn aanwezigheid om hem nog toe te laten tot hun woning.
4.18. De kantonrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van [partij A] kon worden gevergd dat zij [partij B] nog toelieten tot herstel. [partij B] is daarom zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt en er is, anders dan namens [partij B] is betoogd, geen sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [partij A] omdat zij [partij B] niet in de gelegenheid hebben gesteld om de gebreken te herstellen. De kantonrechter komt dus toe aan de beoordeling van de door [partij A] gevorderde hoofdsom.
De beoordeling van de gevorderde hoofdsom
4.19. Het bedrag dat [partij A] vorderen vanwege de gebreken in het schilderwerk van [partij B] bestaat uit de volgende posten:
(€ 370,48);
  1. vergoeding van de kosten voor het herstel van het schilderwerk door [bedrijf 2] (door hen begroot op: € 3.180,89 inclusief BTW).
4.20. De kantonrechter zal het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van de herstelkosten (post 3) toewijzen. Het deel van de vordering dat betrekking heeft op terugbetaling van de facturen en aangeschafte verf (posten 1 en 2) kan niet worden toegewezen, omdat de aannemingsovereenkomst niet is ontbonden. Dit wordt hieronder uitgelegd.
Geen terugbetaling van de betaalde facturen en geen vergoeding van de waarde van de verf (posten 1 en 2)
4.21. Om aanspraak te kunnen maken op terugbetaling van de aan [partij B] betaalde facturen en vergoeding van de voor [partij B] aangeschafte verf vanwege gebreken in zijn schilderwerk, zou de aannemingsovereenkomst moeten worden ontbonden. Ontbinding van de overeenkomst doet namelijk een verplichting tot ongedaanmaking of vergoeding van de waarde van reeds ontvangen prestaties, zoals in dit geval betalingen en verf, ontstaan.[2] Zo'n verplichting ontstaat niet 'vanzelf' op de grond dat sprake is van gebreken in het opgeleverde werk.
4.22. De aannemingsovereenkomst is echter niet ontbonden, maar beëindigd met wederzijds goedvinden.[3] [partij A] vorderen in deze procedure ook geen ontbinding van de overeenkomst. Dit betekent dat er voor [partij B] geen verplichting tot ongedaanmaking of vergoeding van de waarde van de door hem reeds ontvangen prestaties kan (zijn) ontstaan vanwege de gebreken in het opgeleverde werk. De betaalde facturen en aangeschafte verf kunnen evenmin als schade als gevolg van die gebreken worden aangemerkt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Wel vergoeding van de herstelkosten (post 3)
4.23. Het deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van de kosten van het herstel van het schilderwerk door [bedrijf 2] zal worden toegewezen. [partij A] hebben op 31 januari 2025 aan [partij B] medegedeeld dat zij aanspraak maken op (vervangende) schadevergoeding in plaats van nakoming. Zij hebben de kosten die zij moeten maken om het schilderwerk van [partij B] te laten herstellen begroot op € 3.180,89 inclusief BTW. Namens [partij B] is aangevoerd dat [partij A] dit bedrag onvoldoende hebben onderbouwd. Dat volgt de kantonrechter niet. [partij A] hebben verwezen naar het kostenoverzicht dat zij van [bedrijf 2] hebben ontvangen.[4] In dit kostenoverzicht is opgenomen wat de herstelkosten zijn per object (vast/openslaand raam, deur, enkel/dubbel kozijn, hekwerk), al naar gelang het gaat om binnen - of buitenschilderwerk. [partij A] hebben verklaard dat zij zelf hebben opgeteld hoeveel de herstelkosten van het schilderwerk in hun geval bedragen. [partij B] heeft noch het kostenoverzicht van [bedrijf 2] noch de door [partij A] gemaakte optelsom gemotiveerd betwist. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het door [partij A] begrote bedrag nodig is om het schilderwerk alsnog in een staat te brengen waarin het deugdelijk is en aan de aannemingsovereenkomst beantwoordt. Dit bedrag komt de kantonrechter ook redelijk voor, gelet op de prijs die [partij A] aan [partij B] hebben betaald voor zijn schilderwerk en gelet op wat [partij A] tijdens de mondelinge behandeling onweerspoken hebben aangevoerd over de omvang van herstelwerkzaamheden: de door [partij B] aangebrachte verflagen moeten eerst helemaal worden afgekrabd en weggeschuurd, voordat er opnieuw kan worden geverfd.
Conclusie
4.24. De kantonrechter zal een bedrag van € 3.180,89 inclusief BTW aan schadevergoeding toewijzen.
De vorderingen van [partij B] in reconventie
4.25. Het bedrag dat [partij B] vordert bestaat uit de volgende twee onderdelen:
De factuur ter hoogte van € 523,20
4.26. Niet in geschil is dat [partij A] deze factuur voor 12 gewerkte uren niet aan [partij B] hebben betaald. Volgens [partij B] moet deze factuur wel worden betaald, omdat hij die 12 uren in de woning van [partij A] heeft gewerkt. [partij A] hebben onder meer aangevoerd dat zij de factuur niet hoeven te betalen, omdat zij al meer hebben betaald dan de stand van het door [partij B] verrichte werk rechtvaardigt. De kantonrechter begrijpt dit zo dat [partij A] aanvoeren dat zij de factuur niet verschuldigd zijn. In dat standpunt worden zij gevolgd. Dit is om de volgende reden.
4.27. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat partijen een vaste aanneemsom van € 5.232,00 waren overeengekomen.[5] Dit betekent dat [partij A] ervan mochten uitgaan dat het gehele binnen - en buitenschilderwerk voor deze prijs zou worden uitgevoerd. Verder staat vast dat partijen hadden afgesproken dat [partij A] niet vooruit hoefden te betalen. De consequentie van deze twee afspraken is dat [partij B] – nu de overeenkomst voortijdig is beëindigd met wederzijds goedvinden – slechts recht heeft op betaling van de offerteprijs voor het gedeelte van het werk dat hij heeft voltooid. [partij A] hebben verklaard dat bij het einde van de overeenkomst 40% van al het schilderwerk klaar was. Dit is door [partij B] niet weersproken, zodat de kantonrechter hiervan uitgaat. [partij A] zijn dan dus ook 40% van de totale aanneemsom van
€ 5.232,00 aan [partij B] verschuldigd. Zij hebben in totaal € 3.357,20 – dat is meer dan 40% van de aanneemsom – aan [partij B] betaald. Zij zijn de laatste factuur van [partij B] ter hoogte van € 523,20 daarom niet verschuldigd.
4.28. Dat [partij B] de 12 uren uit deze factuur wel heeft gewerkt, maakt dit niet anders. [partij B] heeft kennelijk niet goed ingeschat hoeveel tijd het gehele schilderwerk zou kosten. Bij een vaste aanneemsom ligt het risico dat het werk meer tijd of geld kost dan vooraf ingeschat bij de aannemer, in dit geval dus bij [partij B]. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van meerwerk – extra opgedragen werkzaamheden die niet op de offerte staan – of onvoorziene omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake was. Het gehele binnen - en buitenschilderwerk staat immers op de offerte en [partij B] heeft niet aangevoerd dat hij meer heeft gedaan dan het binnen - en buitenschilderwerk of dat sprake is geweest van extra opgedragen werkzaamheden.
Het restant van de offerteprijs ter hoogte van € 1.351,60
4.29. Dit deel van de vordering van [partij B] is gegrond op artikel 7:764 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarin – voor zover nu relevant – is bepaald dat de opdrachtgever bij opzegging van de aannemingsovereenkomst door de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat de overeenkomst is geëindigd met wederzijds goedvinden en niet door opzegging door [partij A].[6] Dat betekent dat artikel 7:764 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is. De kantonrechter ziet ook geen andere reden waarom [partij A] het restant van de offerteprijs (31 uren werk) zouden moeten betalen. [partij B] heeft deze uren niet gewerkt en hiervoor is vastgesteld dat 40% van het totale werk door [partij B] is verricht en dat [partij A] meer dan 40% van de totale aanneemsom hebben betaald. [partij B] heeft dus al meer betaald gekregen dan de stand van het door hem verrichte werk rechtvaardigt.
Conclusie
4.30. De vorderingen van [partij B] zullen worden afgewezen. Hij heeft daarom ook geen recht op door hem gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
De proceskosten
In conventie
4.32. [partij B] wordt in conventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij A] betalen.
De proceskosten van [partij A] in conventie worden begroot op:
In reconventie
4.33. [partij B] wordt ook in reconventie in het ongelijk gesteld, maar [partij A] hebben in reconventie niet om een proceskostenveroordeling gevraagd. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om ambtshalve tot een proceskostenveroordeling over te gaan, omdat – mede gelet op de samenhang tussen het debat in conventie en in reconventie – niet is gebleken dat [partij A] in reconventie aanvullende proceskosten hebben moeten maken.

5 De beslissing

De kantonrechter
in conventie:
5.1. verklaart voor recht dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst tussen partijen;
5.2. veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 3.180,89 inclusief BTW;
5.3. veroordeelt [partij B] in de proceskosten aan de zijde van [partij A], begroot op € 1.218,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4. verklaart de onderdelen 5.2. en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5. wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie:
5.6. wijst de vorderingen van [partij B] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op
6 januari 2026.
Dit volgt uit artikel 7:759 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit volgt uit de artikelen 6:271 en artikel 6:272 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Zie overweging 4.8. en 4.9. van dit vonnis.
Zie overweging 2.8. van dit vonnis.
Zie overweging 4.3. tot en met 4.7. van dit vonnis.
Zie overweging 4.8. en 4.9. van dit vonnis. - - - ## Voetnoten
Dit volgt uit artikel 7:759 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit volgt uit de artikelen 6:271 en artikel 6:272 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Zie overweging 4.8. en 4.9. van dit vonnis.
Zie overweging 2.8. van dit vonnis.
Zie overweging 4.3. tot en met 4.7. van dit vonnis.
Zie overweging 4.8. en 4.9. van dit vonnis.