Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2025:7691 - Rechtbank Overijssel - 30 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBOVE:2025:7691•30 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**OVERIJSSEL**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11801000 \ CV EXPL 25-2157
Vonnis van 30 december 2025
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek.
1.2. [gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
Waar gaat deze zaak over?
2.1. De Staat vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 360,08, vermeerderd met rente en kosten.
2.2. Bij dagvaarding stelt de Staat dat de vordering betrekking heeft op handelingen van de Nederlandse Voedsel - en Warenautoriteit (hierna: NVWA). De NVWA heeft op aanvraag van [gedaagde] tweemaal een exportkeuring van levende dieren dan wel levende dierlijke producten uitgevoerd. Hiervoor heeft NVWA [gedaagde] op 1 december 2023, 17 november 2023 en 3 december 2023 facturen gestuurd van € 562,08. De facturen zijn volgens de Staat (deels) niet betaald. [gedaagde] heeft op 29 april 2025 een bedrag van € 307,12 betaald. Dit bedrag moet volgens de Staat overeenkomstig artikel 6:44 BW in mindering worden gebracht op de vordering. De NVWA is een agentschap dat valt onder het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Op grond van artikel 1:1 lid 4 Algemene Wet Bestuursrecht komen de vermogensrechtelijke gevolgen van de overeenkomst tussen [gedaagde] en NVWA voor rekening van de Staat.
2.3. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. [gedaagde] voert aan dat hij zijn kippen laat keuren voor shows in het buitenland. Het tarief dat NVWA rekent voor particulieren met een paar dieren is gelijk aan het tarief dat gerekend wordt voor een niet-particulier met een vrachtwagen met veel meer dieren. [gedaagde] vind dat niet kloppen. Volgens [gedaagde] heeft hij met de NVWA afgesproken dat hij zijn keuring kon bundelen met een veterinaire keuring die al gepland stond, waardoor hij een lager tarief van € 26,00 zou betalen. Tot [gedaagde] zijn verbazing moest hij later weer € 281,00 betalen. Dat klopt niet.
2.4. De Staat heeft hier bij conclusie van repliek op gereageerd. De Staat voert aan dat de tarieven gebaseerd zijn op artikel 5a van de regeling NVWA-tarieven. De tarieven staan voor alle aanvragers vast. Dat [gedaagde] de gevorderde bedragen klaarblijkelijk uit principe te hoge bedragen acht, betekent volgens de Staat niet dat de gevorderde bedragen onjuist zijn. Daarnaast betwist de Staat dat [gedaagde] een ander tarief, dan wel een bundelkeuring zou zijn aangeboden. Hierna hebben de Staat en Flanderijn [gedaagde] meermaals in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaar kenbaar te maken en om de facturen buiten rechte te betalen, maar tevergeefs.
2.5. [gedaagde] heeft hierop niet meer gereageerd.
2.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3 De beoordeling
De vordering van de Staat wordt toegewezen
3.1. Met de nadere stellingen van de Staat in de conclusie van repliek en de daarbij overgelegde stukken is het in de conclusie van antwoord gevoerde verweer van [gedaagde] volgens de kantonrechter voldoende weerlegd. De Staat heeft namelijk afdoende duidelijk gemaakt hoe de gefactureerde bedragen zijn vastgesteld en voldoende betwist dat [gedaagde] een afspraak zou hebben gemaakt voor een bundelkeuring met een lager tarief. Dat [gedaagde] de bedragen te hoog vindt, doet niet af aan het feit dat de gevorderde bedragen vastgesteld zijn. De vordering van de Staat wordt daarom toegewezen.
De bijkomende kosten
3.2. De gevorderde wettelijke rente van € 54,11 (berekend tot 7 juli 2025) zal, als onweersproken, worden toegewezen. De verdere wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
3.3. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 51,01 zal ook, als onweersproken, worden toegewezen. De Staat heeft een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW en het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief.
Conclusie
3.4. Omdat [gedaagde] nadat de vordering door de Staat uit handen is gegeven aan Flanderijn nog een betaling van € 307,12 heeft verricht, zullen deze betalingen op grond van artikel 6:44 BW in eerste plaats in mindering worden gebracht op de kosten, vervolgens van de verschenen rente en ten slotte van de hoofdsom en de lopende rente zodat in totaal een bedrag van € 360,08 toewijsbaar is (€ 562,08 hoofdsom + € 51,01 buitengerechtelijke incassokosten + € 54,11 rente - € 307,12).
De proceskosten
3.5. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
4 De beslissing
De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan de Staat te betalen een bedrag van € 360,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 486,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
30 december 2025.