Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2025:7602 - Rechtbank Overijssel - 30 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2025:760230 december 2025

Uitspraak inhoud

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.160459.22
Datum vonnis: 30 december 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1946 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 97.243,37.

2 De procedure

Op de openbare regiezitting van 5 juni 2025 zijn door de rechtbank data vastgesteld voor schriftelijke rondes. De officier van justitie, mr. P.J. Dees, en de raadsman,
mr. M.C. Jonge Vos, advocaat in Amsterdam, hebben hier gebruik van gemaakt.
De vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering) is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van
18 november 2025. De veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie zijn op die terechtzitting verschenen.
Standpunt van de veroordeelde
De raadsman heeft het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. Primair verzoekt de raadsman het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van
€ 45.000, - -. Dit betreft een gedeelte van het bedrag dat onder de veroordeelde in beslag is genomen en waarover veroordeelde heeft verklaard dat hij het gekregen heeft van de criminele organisatie voor zijn werkzaamheden. Subsidiair verzoekt de raadsman het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen gelijk aan het gehele bedrag dat onder hem in beslag is genomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zijn vordering gehandhaafd en het volgende, zakelijk weergegeven, aangevoerd. De verklaring dat het overige contante geld dat bij de veroordeelde is aangetroffen (naast de € 45.000, - -) niet te relateren is aan de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld, is niet aannemelijk gemaakt. Dit vindt ook geen steun in het vonnis waarin de rol van de veroordeelde bij het plegen van de strafbare feiten is vastgesteld.

3 De beoordeling van de vordering

3.1 Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 14 december 2023 veroordeeld voor het medeplegen van het invoeren van cocaïne in Nederland en deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van opiumwetsmisdrijven en het voorbereiden en bevorderen van die misdrijven.
3.2 De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 maart 2025, de conclusie van eis van 16 mei 2025, de conclusie van antwoord van
7 augustus 2025 en de conclusie van repliek van 17 september 2025.
De rechtbank neemt als grondslag voor de ontnemingsvordering wat is bewezenverklaard in het vonnis van de rechtbank. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat de veroordeelde voordeel heeft genoten van de door hem ingevoerde cocaïne en de deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen de schatting van dat voordeel.
De veroordeelde heeft zijn bedrijf beschikbaar gesteld om te gebruiken bij het importeren van verdovende middelen en hij hielp ook mee met het lossen, sorteren en afvoerenvan de lading. De rechtbank ziet vanwege de afgelegde verklaring van de veroordeelde en zijn lage positie in de criminele organisatie, aanleiding om een andere berekeningswijze te hanteren dan het OM heeft gehanteerd. Uit de beslaglijst en het vonnis volgt dat er een totaalbedrag van € 78.356,60 onder de veroordeelde in beslag is genomen. De rechtbank merkt dit geldbedrag aan als het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft genoten.
3.3 De vaststelling van de betalingsverplichting
De redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn, uitgaande van de aankondiging van de ontnemingsvordering op 31 oktober 2023, met twee maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. In gevallen waarin de redelijke termijn met zes maanden of minder is overschreden, wordt het ontnemingsbedrag in beginsel met vijf procent verminderd. De rechtbank zal de betalingsverplichting daarom verminderen met voornoemd percentage wat neerkomt op een bedrag van € 3.917,83.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 74.438,77.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
Buiten staat
Mrs. Eshuis en Van den Bosch zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.