Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2025:7560 - Rechtbank Overijssel - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBOVE:2025:7560•24 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2482
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 28 augustus 2025 tot oplegging van een last onder dwangsom. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.1. Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college heeft laten weten de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.2. De voorzieningenrechter heeft het college bij brief van 11 november 2025 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het college heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
[2]
3.1. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar - of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.[3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
- Het college is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.
[4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.[5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college met het opschorten van de begunstigingstermijn aan het verzoek van verzoekster is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
- De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907, - bedragen.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college de werking van het besluit van 28 augustus 2025 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekster terug.
[6]
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 907, - aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb. - - - ## Voetnoten